ECLI:NL:RBROT:2016:7668
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens overlijden verdachte in cocaïnehandelzaak
De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen een verdachte die werd verdacht van betrokkenheid bij de invoer en handel in circa 1140 kilogram cocaïne in Nederland in de periode oktober tot november 2013. De tenlastelegging omvatte onder meer het medeplegen, voorbereiden en bevorderen van drugssmokkel, het gebruik van loodsruimte en het onderhouden van contacten met mededaders.
Tijdens de terechtzitting op 12 september 2016 bracht het openbaar ministerie naar voren dat de verdachte is overleden. Dit werd onderbouwd met een officiële overlijdensakte uit Colombia, gedateerd 3 mei 2016, waarin werd verklaard dat de verdachte op 1 mei 2016 is overleden. De akte was via officiële kanalen aan het OM verstrekt.
Gezien het overlijden van de verdachte en op grond van artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht, dat bepaalt dat het recht tot strafvordering vervalt door de dood van de verdachte, verklaarde de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Hiermee werd de strafzaak beëindigd zonder inhoudelijke behandeling van de tenlastelegging.
De rechtbank wees erop dat de oudste rechter niet in staat was het vonnis mede te ondertekenen. De tenlastelegging betrof ernstige drugshandel met diverse handelingen zoals het vervoeren, opslaan en markeren van cocaïne, het onderhouden van contacten met mededaders en het gebruik van middelen en locaties voor de drugssmokkel.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens het overlijden van de verdachte.