Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Stichting Woonstad Rotterdam,
Rechtbank Rotterdam
De huurder van een woning in Rotterdam werd geconfronteerd met een bestuurlijke sluiting van zijn woning door de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet, nadat in de woning verdovende middelen en een stroomstootwapen waren aangetroffen. Woonstad Rotterdam, de verhuurder, ontbond daarop de huurovereenkomst buitengerechtelijk en vorderde ontruiming van de woning.
De huurder betwistte de vordering en voerde onder meer aan dat het besluit van de burgemeester onzorgvuldig was en geen stand zou houden. De kantonrechter oordeelde echter dat de kans op vernietiging van het besluit gering was, mede gelet op de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de sluiting in een bestuursrechtelijke procedure.
De kantonrechter stelde vast dat het belang van Woonstad bij een veilige en rustige woonomgeving voor andere huurders zwaarder weegt dan het woonbelang van de huurder, gelet op de aanwezigheid van drugs, een stroomstootwapen en de aantrekking van criminele activiteiten. De vordering tot ontruiming werd daarom toegewezen met een termijn van een week na afloop van de burgemeesterssluiting.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen een week na het einde van de burgemeesterssluiting.