ECLI:NL:RBROT:2016:6724

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 augustus 2016
Publicatiedatum
30 augustus 2016
Zaaknummer
5215057
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:686 BWArt. 7:671b BWArt. 7:681 BWArt. 7:863 lid 6 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst na vaststellingsovereenkomst en ontslag op staande voet

AVS heeft een verzoek ingediend tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder]. [Verweerder] is sinds 2004 in dienst geweest bij AVS en was General Manager. Op 29 februari 2016 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarin de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 juni 2016 eindigt. Op 22 april 2016 werd [verweerder] op staande voet ontslagen, wat later door de kantonrechter is vernietigd, waardoor de arbeidsovereenkomst niet op die datum is geëindigd.

De kantonrechter constateert dat op dit moment geen arbeidsovereenkomst meer bestaat tussen partijen, waardoor er geen aanleiding is voor ontbinding of vergoeding. Dit kan alleen veranderen als hoger beroep in een andere procedure leidt tot een andere uitkomst over het bestaan van de vaststellingsovereenkomst.

Gezien de jurisprudentie van het hof Den Haag wordt aangenomen dat het hof een arbeidsovereenkomst niet met terugwerkende kracht kan beëindigen, wat gevolgen heeft voor de loonbetaling. De kantonrechter verzoekt partijen zich uiterlijk 15 september 2016 uit te laten over hun belang bij het verzoek tot ontbinding, waarna de zaak zal worden voortgezet of gesloten.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de zaak aan en verzoekt partijen zich uit te laten over hun belang bij het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5215057-VZ VERZ 16-15532
uitspraak: 19 augustus 2016
beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
@ll Voltage Supply B.V.,
gevestigd te Vlaardingen,
verzoekster,
gemachtigde: mr. drs. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,
tegen
[verweerder],
wonende te [plaatsnaam],
verweerder,
gemachtigde: mr. S.J. Nauta te Barendrecht.
Partijen worden hierna ‘AVS’ en ‘[verweerder]’ genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, ontvangen op 4 juli 2016, van het verweerschrift, ontvangen op 12 juli 2016, waarin tevens een voorwaardelijk tegenverzoek is gedaan ex artikel 7:686 BW Pro, en van de door beide partijen in het geding gebrachte producties.
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoekschrift vond plaats op 14 juli 2016 gelijktijdig met het eveneens op artikel 7:671b gestoelde verzoek tot voorwaardelijke ontbinding door AVS ingediende verzoekschrift tegen de echtgenote van [verweerder], mevrouw [M.] en de door [M.] en [verweerder] ingediende verzoeken ex artikel 7: 681 BW. Van het ter zitting verhandelde is proces verbaal opgemaakt.

2.Vaststaande feiten

Er wordt vooralsnog uitgegaan van de volgende feiten:
2.1
AVS is een (groot)handel in elektrotechnische en telecommunicatieapparatuur en bij-behorende onderdelen.
2.2
[verweerder] ([geboortedatum]) is op 4 november 2004 in dienst getreden bij AVS. Zijn laatste functie was General Manager tegen een loon van € 6.500,00 bruto in de maand, exclusief emolumenten. [verweerder] is gehuwd met mevrouw [M.] die op 1 april 2008 bij AVS in dienst is getreden en laatstelijk werkzaam was als Hoofd Inkoop.
2.3
[verweerder] en AVS hebben op 29 februari 2016 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen met wederzijds goedvinden eindigt per 1 juni 2016
2.4
AVS heeft bij brief van 22 april 2016 [verweerder] op staande voet ontslagen.
2.5
Ook de echtgenote van [verweerder], mevrouw [M.], is op 22 april 2016 op gelijkluidende gronden op staande voet ontslagen.
2.6
[M.] en [verweerder] werken sedert 1 mei 2016 in loondienst bij Marilux, een bedrijf in Raamsdonksveer.
2.7
In een naast de voorliggende zaak onder zaaknummer 5078447 VZ VERZ 16-10479 lopende zaak verzoekt [verweerder] om vernietiging van het hem door AVS gegeven ontslag op staande voet en verzoekt hij voor recht te verklaren dat AVS gebonden is aan de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016.
2.8
In bovengenoemde zaak zijn bij beschikking van 19 augustus 2016 de hiervoor genoemde verzoeken van [verweerder] toegewezen.

3.De (voorlopige) beoordeling

3.1
De uitspraak in de bovengenoemde procedure heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet op 22 april 2016 is geëindigd met het ontslag op staande voet dat AVS op die dag aan [verweerder] gaf, maar per 1 juni 2016 op grond van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016.
3.2
Op dit moment bestaat er geen arbeidsovereenkomst tussen partijen. Voor ontbinding daarvan op welke grond dan ook onder toekenning van een vergoeding aan [verweerder] onder welke benaming dan ook, bestaat op dit moment dan ook geen aanleiding. Dit wordt alleen anders indien hoger beroep wordt ingesteld in de andere zaak en het gerechtshof het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de opzegging in stand laat maar –anders dan de kantonrechter– oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016 niet in stand gelaten kan worden. Alleen in dat geval bestaat er dan nog een arbeidsovereenkomst waarvan beide partijen in deze procedure de voorwaardelijke ontbinding kunnen verzoeken.
Echter, gezien het op 23 februari 2016 gewezen arrest van het hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:435), met name gelet op rechtsoverweging 16, moet het er thans voor gehouden worden dat het hof de arbeidsovereenkomst niet op een in het verleden liggend tijdstip kan doen eindigen (artikel 7:863 lid 6 BW Pro). Dat zou tot gevolg hebben dat AVS in beginsel gehouden is het loon aan [verweerder] door te betalen tot aan het door het hof te bepalen toekomstig einde van de arbeidsovereenkomst. Het belang van AVS bij een dergelijke uitkomst is niet evident.
3.3
Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe. Om die reden verzoekt de kantonrechter beide partijen, nu bekend zijnde met de uitkomst in de andere procedure, zich bij akte uit te laten omtrent het belang die zij bij hun verzoeken in deze procedure nog menen te hebben.
3.4
De kantonrechter houdt de behandeling van deze zaak aan tot 15 september 2016. Hij verzoekt partijen om zich uiterlijk op die datum uit te laten omtrent het belang in de onderhavige procedure.

3.De beslissing

De kantonrechter,
alvorens verder te beslissen,
houdt de zaak aan tot 15 september 2016;
verzoekt partijen uiterlijk op 15 september 2016 zich bij akte uit te laten welk belang zij bij hun verzoek menen te hebben.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terecht-zitting.
686