ECLI:NL:RBROT:2016:6187

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 juli 2016
Publicatiedatum
10 augustus 2016
Zaaknummer
505260 / HA RK 16-558 en 505262 / HA RK 16-559
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in procedure beëindiging ouderlijk gezag

Verzoekster heeft meerdere wrakingsverzoeken ingediend tegen de rechters van de meervoudige kamer en de voorzitter van de wrakingskamer in een procedure betreffende het verzoek van de raad voor de kinderbescherming tot beëindiging van haar ouderlijk gezag over haar minderjarige dochter.

De rechtbank heeft deze verzoeken op 5 juli 2016 behandeld en geoordeeld dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid of partijdigheid van de rechters of de voorzitter. Verzoekster stelde onder meer dat zij onvoldoende werd gehoord en dat de rechters niet adequaat reageerden op haar vragen en ingebrachte stukken. De rechtbank stelde echter vast dat verzoekster uitvoerig aan het woord is geweest en dat de rechters de stukken na de zitting zullen bestuderen en indien nodig de mondelinge behandeling zullen heropenen.

De wrakingskamer benadrukte dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn en dat het enkele feit dat de voorzitter eerder betrokken was bij een afwijzing van een wrakingsverzoek geen objectieve vrees voor partijdigheid rechtvaardigt. Het verzoek tot wraking werd dan ook afgewezen, waarmee de behandeling van het onderliggende verzoekschrift onverminderd kon worden voortgezet.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters en de voorzitter van de wrakingskamer is afgewezen wegens gebrek aan feitelijke grondslag en objectieve aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer voor wrakingszaken
Zaaknummers / rekestnummers: 505260 / HA RK 16-558 en 505262 / HA RK 16-559
Beslissing van 5 juli 2016
op de verzoeken van
[naam verzoekster],
wonende op een geheim adres,
verzoekster,
strekkende tot wraking van:
mr. M. Marseille,
mr. L.A. Piten
mr. J. de Gans, rechters tevens kinderrechters in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team jeugd (hierna: de rechters).

1.Het procesverloop en de processtukken

1.1.
Ter zitting met gesloten deuren van 11 februari 2016 is door de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld het verzoekschrift van de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, strekkende tot beëindiging van het ouderlijk gezag van verzoekster over haar minderjarige dochter [naam dochter]. Die procedure draagt als kenmerk C/10/492094 / JE RK 15-4037.
1.2.
Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoekster wraking van de meervoudige kamer verzocht.
1.3.
Bij beschikking van de wrakingskamer van 3 maart 2016 is dit eerste wrakingsverzoek afgewezen.
1.4.
Na een verdere behandeling en het nemen van een tussenbeslissing op 18 maart 2016, is ter zitting met gesloten deuren van 24 mei 2016 door de meervoudige kamer van deze rechtbank voortgezet de behandeling van het hiervoor omschreven verzoekschrift.
1.5.
Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoekster andermaal wraking van de meervoudige kamer verzocht.
1.6.
Bij beschikking van de wrakingskamer van 16 juni 2016 is dit tweede wrakingsverzoek afgewezen.
1.7.
Ter zitting met gesloten deuren van 5 juli 2016 is door de meervoudige kamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, voortgezet de behandeling van het hiervoor omschreven verzoekschrift.
1.8.
Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoekster wraking van de rechters verzocht.
1.9.
De wrakingskamer heeft dit derde wrakingsverzoek behandeld ter zitting van
5 juli 2016.
Ter zitting zijn verschenen: verzoekster, de rechters, mevrouw [naam] en de heer [naam] namens de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, alsmede mevrouw [naam] namens de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West.
1.10.
Tijdens deze behandeling ter zitting heeft verzoekster de voorzitter van de wrakingskamer gewraakt.
1.11.
De wrakingskamer heeft kennis genomen van de ter zitting van de meervoudige kamer van 5 juli 2016 door de griffier gemaakte aantekeningen van hetgeen op die zitting is voorgevallen.

2.Het verzoek tot wraking van de voorzitter van de wrakingskamer

2.1.
Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :
2.1.1.
De voorzitter maakte deel uit van de wrakingskamer die heeft beslist ten aanzien van één van mijn eerdere wrakingsverzoeken in de onderhavige procedure. Dat verzoek werd afgewezen. Nu is de voorzitter opnieuw een van de rechters die gaat oordelen over mijn verzoek tot wraking van de rechters. De voorzitter is om deze reden in mijn beleving bevooroordeeld.
2.2.
De voorzitter heeft niet in de wraking berust.
3. De beoordeling van het verzoek tot wraking van de voorzitter van de wrakingskamer
3.1.
De wrakingskamer heeft de behandeling van de zaak niet geschorst wegens het verzoek van verzoekster tot wraking van haar voorzitter, omdat de wrakingskamer dit verzoek kennelijk ongegrond acht.
De wrakingskamer overweegt daartoe het volgende:
3.2.
Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat door verzoekster geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.
3.3.
Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de voorzitter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
3.4.
Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de voorzitter jegens haar een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
3.5.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt. Vooropgesteld wordt dat een rechter iedere individuele zaak met onbevangenheid en zonder belemmering door voorvallen in voorafgaande zaken dient te behandelen en beoordelen. Die professionaliteit wordt bij de rechter voorondersteld. Het enkele gegeven dat de voorzitter deel heeft uitgemaakt van de wrakingskamer die afwijzend heeft beslist op een voorafgaand wrakingsverzoek van verzoekster (dat bovendien was gericht tegen andere rechters en was gebaseerd op andere gronden) rechtvaardigt overeenkomstig vaste jurisprudentie objectief gezien geen vrees voor partijdigheid. Nadere feiten of omstandigheden zijn niet aangevoerd.
3.6.
De wraking van de voorzitter is om deze redenen kennelijk ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.
3.7
Nadat deze beslissing op de zitting van de wrakingskamer van 5 juli 2016 was uitgesproken, is de behandeling door de wrakingskamer van het wrakingsverzoek gericht tegen de rechters meteen voortgezet.

4.Het verzoek tot wraking van de rechters en de reactie daarop

4.1.
Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :
4.1.1.
Ik kan aan de rechters mijn vragen over de raad voor de kinderbescherming en de gezinsvoogdijinstelling (GI) niet kwijt. Toen ik die vragen ter zitting van heden aan de rechters stelde, werd er gezegd: u wordt hier gehoord, uw vragen kunnen we hier niet beantwoorden. Wat heeft het dan nog voor zin? Het hele pad is al bewandeld. Er wordt door de rechters alleen geluisterd naar de raad en naar de GI en verder is het een gelopen race. Ik heb het gevoel dat er niet naar mij wordt geluisterd. Ik mag geen vragen stellen. Ik heb vragen over de inhoud van het dossier. Het NIFP heeft een conclusie gegeven puur gebaseerd op gevoelens. Is het gebruikelijk dat de rechtbank dat tolereert; een conclusie op basis van gevoelens en niet op basis van feiten? De rechtbank heeft in haar tussenbeslissing vragen gesteld, die op verschillende manieren kunnen worden geïnterpreteerd. De raad heeft die vragen op een bepaalde manier uitgelegd en daarnaar gehandeld. Wat bedoelde de rechtbank met die vragen? Ik wil weten wat de rechters daarvan vinden. Er zijn nog wel meer vragen, waarvan ik benieuwd ben wat de rechters daarmee bedoelen. Nu heeft de raad een antwoord gegeven en moet ik mij maar schikken naar dat antwoord. Ik mag dat niet weerleggen. Ik kan er niet tegenin gaan, want de rechters gaan daaraan voorbij. Naar aanleiding van wat ik vanmorgen heb verteld, wordt door de rechters geen actie ondernomen.
4.1.2.
Vandaag mocht ik van de rechters alsnog stukken overleggen. Daardoor zijn pas nu alle stukken voorhanden. Daar ben ik heel blij mee, maar inhoudelijk kon er ter zitting van vandaag niet over die stukken worden gesproken. De rechters kennen die stukken nog niet en kunnen er dus niets mee. Er blijven nog heel veel punten onbesproken. Als de zitting begint sta ik als moeder van mijn kind al met drie of vier nul achter. De rechters horen mij aan, doen mij nog een plezier en laten mij stukken inbrengen, maar in beginsel is de zaak al beklonken. Ik kan de standpunten van de raad en de GI op geen enkele manier weerleggen. Eén keer fout is altijd fout. In dit rechtssysteem kun je dat niet meer goed krijgen.
4.2.
De rechters hebben niet in de wraking berust.
De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
4.2.1.
Een deel van de vragen van verzoekster zal in onze uitspraak worden beantwoord. Zeker in een geval als het onderhavige, waarin de rechtbank een raadsverzoek meervoudig behandelt, kunnen door verzoekster ter zitting geformuleerde vragen niet aanstonds, zonder beraad over die vragen en door alleen de voorzitter worden beantwoord. Verzoekster is ter zitting uitvoerig aan het woord gelaten. zij heeft twee termijnen gekregen om haar standpunt te verwoorden. Zij mocht overal op reageren en zij is daarbij niet onderbroken. Verzoekster is het niet eens met de reactie van de raad voor de kinderbescherming en het is uiteindelijk aan ons als rechters van de meervoudige kamer om daar iets van te gaan vinden. De rechters weten nu nog niet hoe zij zullen gaan oordelen.
4.2.2.
Er is bij eerdere zittingen in deze procedure veel gedoe geweest over het in ontvangst nemen van stukken. De rechters hebben daarom besloten alle stukken die verzoekster ter zitting van heden in het geding wilde brengen, toe te staan. De rechters wilden vandaag wel verder met de behandeling van de zaak en zij zouden de nog nieuw ingebrachte stukken van verzoekster na afloop van de zitting gaan lezen. Indien daarbij zou blijken dat er nadere vragen moeten worden gesteld aan een of meer van de procespartijen, zou daartoe de mondelinge behandeling kunnen worden heropend.

5.De beoordeling van het verzoek tot wraking van de rechters

5.1.
Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoekster geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.
5.2.
Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechters door hun persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig zijn.
5.3.
Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechters jegens haar een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
5.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.
5.5.
Voor zover het wrakingsverzoek is gegrond op de stelling dat verzoekster ter zitting van heden niet, dan wel onvoldoende door de rechters is gehoord, is die stelling door de rechters gemotiveerd weersproken. Evenmin is voor die stelling een aanknopingspunt te vinden in de door de griffier ter zitting gehouden aantekeningen; integendeel, uit die aantekeningen en uit de reactie van de rechters blijkt dat verzoekster ter zitting uitvoerig aan het woord is geweest en daarbij niet is onderbroken. Het verzoek mist derhalve in dit opzicht feitelijke grondslag.
5.6.
Voor zover het wrakingsverzoek is gegrond op de omstandigheid dat de rechters ter zitting van heden niet aanstonds door verzoekster gestelde vragen over de inhoud van de stukken hebben beantwoord, is daarin geen zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid te vinden. Immers, een behandeling van een verzoekschrift van de raad voor de kinderbescherming als hier aan de orde is, dient om alle bij de zaak betrokken personen en instanties gelegenheid te bieden zich over dat verzoek uit te laten, hun standpunt daaromtrent naar voren te brengen en desgewenst tegen dat verzoek verweer te voeren. Eerst nadat die mondelinge behandeling is gesloten gaan de rechters zich op het verzoek beraden en zich daaromtrent een oordeel vormen, welk oordeel zij neerleggen in een uit te spreken beschikking, waarbij ter zitting door procespartijen geformuleerde vragen – voor zover noodzakelijk voor dat oordeel – door de rechters dienen te worden beantwoord. Dit geldt in het onderhavige geval des te meer, omdat de rechters als meervoudige kamer zitting houden, in welke situatie het aanstonds ter zitting antwoorden op vragen van verzoekster door een van de rechters, zonder voorafgaand onderling beraad van de rechters over de inhoud van het antwoord op die vragen, niet is aangewezen.
5.7.
Voor zover het verzoek tot wraking van de rechters is gegrond op de stelling dat de rechters geen kennis nemen van de inhoud van de door verzoekster ter zitting van heden ingebrachte stukken, mist het verzoek feitelijke grondslag. Immers, ter zitting hebben de rechters toegezegd die stukken na sluiting van de mondelinge behandeling van heden te zullen lezen en – indien na kennisname van die stukken daartoe aanleiding wordt gevonden – de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting te zullen heropenen om een of meer van de procespartijen nadere vragen te stellen dan wel gelegenheid te bieden te reageren op de inhoud van die stukken.
5.8.
De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

6.De beslissing

De wrakingskamer:
6.1.
wijst af het verzoek tot wraking van mr. A.N. van Zelm van Eldik;
6.2.
wijst af het verzoek tot wraking van mr. M. Marseille, mr. L.P. Pit en mr. J. de Gans.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.N. van Zelm van Eldik, voorzitter, mr. W.P.M. Jurgens en mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2016 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door mr. W.P.M. Jurgens met de griffier ondertekend.
Verzonden op:
aan:
- verzoekster
- mr. M. Marseille
- mr. L.A. Pit
- mr. J. de Gans
- de pleegouders
- de vader
- jeugdbescherming West
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht