ECLI:NL:RBROT:2016:5910
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter in verzetprocedure na verstekvonnis
Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die een procesbeslissing nam in een verzetprocedure tegen een verstekvonnis. De kantonrechter had een brief van de wederpartij, waarin werd betoogd dat het verzet niet tijdig was ingesteld, aangemerkt als een incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid. Verzoekster stelde dat deze beslissing onjuist was en dat de rechter partijdig had gehandeld door de brief zonder overleg mee te nemen in zijn beslissing.
De kantonrechter motiveerde dat hij om proceseconomische redenen eerst duidelijkheid wilde over de ontvankelijkheid van het verzet en dat verzoekster in de gelegenheid werd gesteld om te reageren, conform het beginsel van hoor en wederhoor. De wrakingskamer overwoog dat een onwelgevallige of mogelijk onjuiste beslissing op zichzelf geen grond voor wraking vormt, tenzij deze zo onbegrijpelijk is dat alleen vooringenomenheid als verklaring overblijft.
De kamer concludeerde dat de beslissing van de kantonrechter niet zodanig onbegrijpelijk was en dat de eis van hoor en wederhoor niet was geschonden. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen. De procedure betrof een civiele zaak in het kader van een verzet tegen een verstekvonnis, waarbij het open stelsel van incidenten en de procesregels rondom niet-ontvankelijkheid centraal stonden.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens het ontbreken van onpartijdigheid en schending van hoor en wederhoor.