Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het procesverloop
- het verzoekschrift (ontvangen op 30 oktober 2015) met producties;
- het verweerschrift (ontvangen op 27 november 2015) met één productie;
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en haar werkgever over de toekenning van een transitievergoeding. De werknemer was sinds 2002 in dienst en werd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid herplaatst binnen de organisatie. De werkgever gaf een akte van ontslag en een akte van benoeming uit, maar dit betrof feitelijk een functiewijziging en geen beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
De werknemer vorderde betaling van een transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 1 sub a BW Pro, stellende dat haar arbeidsovereenkomst was opgezegd. De werkgever stelde dat er geen sprake was van ontslag maar van een herplaatsing binnen de organisatie, waarbij de arbeidsovereenkomst ononderbroken werd voortgezet.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet was beëindigd maar in gewijzigde vorm was voortgezet, waarbij de akte van ontslag en benoeming slechts een formaliteit vormden om de functiewijziging te formaliseren. De werkgever had voldaan aan haar verplichtingen uit de cao PO door een passende functie aan te bieden die aansloot bij de restcapaciteit van de werknemer.
De vordering tot transitievergoeding werd afgewezen omdat de transitievergoeding niet bedoeld is voor situaties van herplaatsing zonder beëindiging van het dienstverband. Ook de subsidiaire vordering voor een vergoeding over het verschil in werktijdfactor werd verworpen, aangezien de werknemer deze wijziging zelf had geaccepteerd.
De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten. Hiermee bevestigde de rechter dat een transitievergoeding niet verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst niet wordt beëindigd maar voortgezet onder gewijzigde voorwaarden.
Uitkomst: De vordering tot transitievergoeding wordt afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd maar voortgezet.