Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde (moord);
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren.
4.Ontvankelijkheid officier van justitie
5.Waardering van het bewijs
- De verdachte stond niet in relatie tot het slachtoffer. Hij woonde niet in Rotterdam, maar is daar naar toe afgereisd. Hij heeft besloten naar binnen te gaan in de woning van het slachtoffer. Er heeft een worsteling plaatsgevonden en daarbij heeft hij het slachtoffer gewurgd. De verdachte heeft een aantal beslissingen genomen en ieder van deze beslissingen uitgevoerd met een aantal handelingen die langere tijd moeten hebben geduurd. Deze tijd had de verdachte kunnen gebruiken om zich te bezinnen en de gevolgen van zijn handelen te overzien. De beslissingen en handelingen zijn ook zodanig dat dit niet past bij handelen vanuit een opwelling. Daarvoor zijn deze handelingen te veelomvattend en vereisen zij handigheid, voortdurende kracht en overwicht.
- Bovendien duidt alles erop dat de verdachte de moord heeft gepleegd in opdracht van iemand anders, nu de verdachte zelf geen enkele aanwijsbare reden had om het slachtoffer van het leven te beroven. Uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat de echtgenoot van het slachtoffer, [naam], dat motief wel had en dat hij kennelijk de verdachte bereid heeft gevonden dit voor hem te doen. [De echtgenoot van het slachtoffer] is weliswaar vrijgesproken, maar hierbij dient te worden bedacht dat de verdachte toen nog niet was gehoord en dat toen slechts het dactyloscopische spoor van de verdachte was geïdentificeerd en nog niet de DNA-sporen.
- Als contra-indicatie zou het gebruik van ter plekke aangetroffen voorwerpen kunnen worden gezien, maar dit kan ook goed passen in een van te voren uitgewerkt plan. Zo past het opendraaien van de gaspitten van het fornuis in de keuken in hetgeen [de echtgenoot van het slachtoffer] heeft verteld aan getuige [getuige 2].
- Het DNA-profiel van het speekselmonster van de verdachte matcht met het DNA-profiel van het speekselspoor op de sweater. Dit betekent dat het speekselspoor afkomstig kan zijn van de verdachte. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het speekselspoor op de sweater is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen man een DNA-profiel heeft dat matcht met het DNA-profiel van het speekselspoor is kleiner dan één op één miljard.
- Het DNA-profiel van het speekselmonster van de verdachte matcht met het onvolledige afgeleide DNA-hoofdprofiel van het celmateriaal op het elektriciteitssnoer. Dit betekent dat de bemonstering van het elektriciteitssnoer celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van de verdachte. De berekende frequentie van het onvolledige DNA-hoofdprofiel is ongeveer één op vier miljoen. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen man deze combinatie van DNA-kenmerken heeft, is ongeveer één op vier miljoen.
ktriciteitssnoer om de keel van die [slachtoffer] gedaan en gehouden en dat snoer met kracht om de keel van die [slachtoffer] aangetrokken/vastgetrokken en aangetrokken/vastgetrokken gehouden,
6.Strafbaarheid feit
7.Strafbaarheid verdachte
8.Motivering straf
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Bijlagen
11.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.