Verweerder, het CBR, heeft de verklaring van rijvaardigheid van eiser ingetrokken vanwege aannemelijke fraude door een examinator die in samenwerking met zes verdachte rijscholen kandidaten onterecht liet slagen. Dit is vastgesteld op basis van politieonderzoek, een bestuurlijke rapportage en indicatoren die het redelijk vermoeden van onrechtmatige slaging ondersteunen.
Eiser voerde aan dat de verklaringen van de rijschoolhouder en de gehanteerde indicatoren onvoldoende bewijs vormen en dat hij geen gebruik heeft gemaakt van een garantiepakket. Ook stelde hij dat de afstand tot de rijschool een legitieme keuze verklaart. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet hoeft te bewijzen dat eiser zelf fraude pleegde, maar aannemelijk moet maken dat de verklaring ten onrechte is afgegeven.
De rechtbank achtte de combinatie van indicatoren, de verklaringen van de rijschoolhouder, het proces-verbaal en de negatieve uitslag van een herbeoordeling van de rijvaardigheid voldoende om de intrekking te rechtvaardigen. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard.