ECLI:NL:RBROT:2016:2138
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verklaring rijvaardigheid na fraude door examinator CBR
De directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) trok op 6 februari 2015 de verklaring van rijvaardigheid van eiser in vanwege vermoedens van fraude door een examinator in samenwerking met verdachte rijscholen. Na een bezwaarprocedure verklaarde het CBR het bezwaar ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank oordeelde dat het CBR voldoende zorgvuldig had gehandeld door te baseren op een politieonderzoek en een bestuurlijke rapportage waarin werd vastgesteld dat de examinator in de periode 2011-2014 kandidaten tegen betaling onterecht liet slagen. De rechtbank vond dat het bestuursrecht andere bewijsregels hanteert dan het strafrecht en dat het CBR aannemelijk hoefde te maken dat de verklaring ten onrechte was afgegeven.
De rechtbank achtte de gehanteerde indicatoren om het vermoeden van onterechte afgifte vast te stellen niet onredelijk. Eiser had examen gedaan bij de verdachte examinator via een verdachte rijschool, was geslaagd na meerdere mislukte pogingen en had een garantiepakket bij de rijschool. Ondanks zijn stellingen dat hij niets wist van fraude en dat hij rijlessen had gevolgd, vond de rechtbank dit onvoldoende aannemelijk.
De rechtbank concludeerde dat het CBR terecht de verklaring van rijvaardigheid had ingetrokken omdat deze onterecht was verkregen, ook als eiser niet op de hoogte was van de fraude. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verklaring van rijvaardigheid wordt ongegrond verklaard.