De rechtbank Rotterdam behandelde op 16 maart 2016 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige die zich beschikbaar stelde voor seksuele handelingen tegen betaling. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee voorwaardelijk.
Tijdens de terechtzitting werd het bewijs beoordeeld, waaronder verklaringen van de aangeefster en verdachte, alsmede historische telefoongegevens. De aangeefster deed tegenstrijdige verklaringen over de aard van de handelingen, terwijl verdachte ontkende ontuchtige handelingen te hebben verricht.
De rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen. De handelingen die verdachte toegaf, zoals strelen over de rug, werden niet als ontuchtig aangemerkt. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de verdachte werd vrijgesproken.
De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van de procedure, die nihil werden begroot. De vordering kan uitsluitend bij de burgerlijke rechter worden ingediend.