Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2016 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres,
Procesverloop
Overwegingen
Bij de primaire besluiten I en II heeft verweerder aan eiseres bestuurlijke boetes opgelegd van ieder € 9.500,- wegens overtreding van artikel 1.45, derde lid, van de Wko. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze besluiten, in afwijking van het advies van de commissie bezwaarschriften, gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan de inspectierapporten van de toezichthouder ten grondslag gelegd. Omdat tijdens het onderzoek op 14 juli 2014 zowel kinderen onder als boven de basisschoolleeftijd op de locatie aanwezig waren zijn er twee boetes aan eiseres opgelegd. Eiseres wordt als de overtreder aangemerkt, omdat zij een aanvraag voor het exploiteren van kinderopvang op de locatie heeft ingediend. Voorts stelt verweerder dat op het moment van het verrichten van het onderzoek er geen reden was om de cautie te geven, omdat op dat moment het voornemen tot het opleggen van een boete nog niet bestond. Evenmin is volgens verweerder sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu de situatie op de locatie in [plaats] niet gelijk is aan die van eiseres. Verweerder heeft aanleiding gezien de hoogte van de op te leggen boete zoals die uit de van toepassing zijnde beleidsregels volgt, te matigen tot € 9.500,- per boete.
Op grond van het tweede lid wordt voor het verhoor aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.