Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagden] ,
[gedaagden],
1.De procedure
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagden]
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
816,00
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vordert eiser een voorschot op schadevergoeding van gedaagden naar aanleiding van een confrontatie op 9 februari 2014, waarbij eiser letsel opliep. Gedaagden zijn strafrechtelijk veroordeeld tot werkstraffen voor hun aandeel in de confrontatie. Eiser ontvangt een WIA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid.
De voorzieningenrechter oordeelt dat ondanks de veroordelingen van gedaagden het causaal verband tussen de confrontatie en het letsel en de arbeidsongeschiktheid niet zonder meer vaststaat. De stellingen van eiser zijn onvoldoende onderbouwd met stukken, terwijl gedaagden verweer voeren tegen de omvang en aard van het letsel en de schade.
Daarnaast is niet vastgesteld of de schadeposten voortvloeien uit onrechtmatig handelen van gedaagden, zoals de gestelde gedwongen verhuizing. Ook de bewering van eiser dat het letsel mede het gevolg is van stelselmatige bedreigingen sinds 2012 wordt niet ondersteund door het dossier.
Gelet op het beperkte karakter van de kort gedingprocedure is het niet mogelijk om een definitieve beoordeling te geven. De vorderingen worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagden.
Uitkomst: De vordering tot voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het causaal verband en de omvang van het letsel en de schade.