Uitspraak
1.Het procesverloop en de processtukken
- het dossier van de zaak met als kenmerk C/10/59575/ HA ZA 96-1977;
- de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekers, bestaande uit een vennootschap onder firma en haar voormalige vennoten, dienden een wrakingsverzoek in tegen de rolrechter en behandelend rechter in een civiele procedure die sinds 1996 aanhangig is. Het verzoek betrof met name de afwijzing van een verzoek tot het nemen van een nadere conclusie na een deskundigenbericht en de vermeende vooringenomenheid van de rechters.
De rechtbank stelde vast dat de rolrechter op grond van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken (LRR) terecht had besloten geen nadere conclusiewisseling toe te staan en een datum voor vonnis te bepalen. De beslissing was gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. De behandelend rechter had geen bemoeienis gehad met procesbeslissingen tot dat moment. Er waren geen objectieve feiten die een gegronde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigden.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek misbruik van het wrakingsinstituut betrof, mede omdat het vergelijkbaar was met een eerder afgewezen verzoek. Daarom werd het verzoek afgewezen en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rolrechter en behandelend rechter is afgewezen en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.