ECLI:NL:RBROT:2015:9046

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 december 2015
Publicatiedatum
9 december 2015
Zaaknummer
ROT-15_7158
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging onderzoek naar alcoholgebruik en ongeldigverklaring rijbewijs

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 10 december 2015 uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, die de verplichting had gekregen om mee te werken aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik. Dit besluit volgde op een incident waarbij verzoeker op 10 juli 2015 tijdens een alcoholcontrole een alcoholpromillage van 2,565 ‰ had. Verweerder, de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), had de geldigheid van het rijbewijs van verzoeker geschorst en hem verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, omdat hij vond dat het besluit te laat was genomen. De voorzieningenrechter overwoog dat de termijn van vier weken, zoals voorgeschreven in de Wegenverkeerswet, was overschreden, maar dat dit niet automatisch leidde tot schorsing van het besluit. De rechter benadrukte dat de verkeersveiligheid voorop staat en dat de dwingendrechtelijke bepalingen in de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid geen ruimte bieden voor afwijkingen op basis van specifieke omstandigheden. De voorzieningenrechter concludeerde dat het belang van de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan de belangen van verzoeker, en dat het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven. Uiteindelijk werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3
zaaknummer: ROT 15/7158
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 december 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] te Schiedam, verzoeker,

gemachtigde: mr. M.D. Rijnsburger,
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder,
gemachtigde: mr. L. Jonkers.

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker de verplichting opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik. De geldigheid van het rijbewijs is geschorst.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. C. Ganzenboom, kantoorgenote van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.
2. Verzoeker is op 10 juli 2015 tijdens een grootschalige alcoholcontrole aangehouden als bestuurder van een bestelauto. Bij verzoeker is een hoeveelheid alcohol gemeten van 1115 µg/l (2,565 ‰). Op 29 juli 2015 heeft de korpschef van de politie Eenheid Rotterdam, district Rijnmond-Noord, een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw).
3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht. Op grond van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (de Regeling) dient een betrokkene, als bij hem een alcoholpromillage van 1,8 ‰ of meer is geconstateerd, zich te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid. In afwachting van de uitslag van dit onderzoek is de geldigheid van het rijbewijs geschorst.
4. Verzoeker stelt dat het besluit te laat is genomen. Op grond van artikel 131, eerste lid van de Wvw, dient een besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling te worden genomen. Verzoeker stelt dat grammaticale, wetshistorische en teleologische interpretatie van dit artikel ertoe leidt dat het besluit niet na ruim veertien weken nog kan worden genomen. De overschrijding van de termijn is in dit geval zo groot dat verweerder daarvan had moeten afzien.
5. Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.
6. In vaste jurisprudentie heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2687), geoordeeld dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 130 tot en met 134 (thans tot en met 134a) van de Wvw 1994 (Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, blz. 43 en volgende) kan worden afgeleid dat de in deze artikelen genoemde beslistermijnen daarin zijn opgenomen met het oog op de wens te komen tot een in het belang van de verkeersveiligheid slagvaardiger optreden tegen verkeersgevaarlijke overtredingen in het algemeen en een verscherpte aanpak van alcoholovertredingen in het bijzonder. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat overschrijding van de termijn, vermeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 met zich brengt dat het CBR niet meer bevoegd is een besluit, als bedoeld in die bepaling, te nemen.
7. Vaststaat dat het besluit van 5 november augustus 2015 niet is genomen binnen de termijn van artikel 131, eerste lid, van de Wvw.
8. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat lang is gewacht op informatie van de politie over een eerder incident uit 2011. Gesteld is dat de vaste werkwijze van verweerder inhoudt dat als er sprake is van recidive, dit in het primaire besluit moet worden opgenomen. Als een eventueel eerder feit pas in het onderzoek bij de arts naar voren komt zou betrokkene daartegen geen rechtsmiddel kunnen aanwenden. Om die reden wordt met de besluitvorming gewacht tot de informatie compleet is. In dit geval is op het verzoek om informatie van 4 augustus 2015 niet vlug gereageerd. Pas op 30 oktober 2015 beschikte verweerder over het complete dossier.
9. De voorzieningenrechter overweegt dat de door verweerder geschetste werkwijze in dit geval een nadelige uitwerking heeft gehad. Hoewel het in zijn algemeenheid vanuit het oogpunt van rechtsbescherming voordelen kan bieden om de besluitvorming te baseren op een zo volledig mogelijk feitencomplex, is dat niet in alle gevallen noodzakelijk. In deze zaak was duidelijk dat het feit van 10 juli 2015 op zich voldoende grond was voor het opleggen van de maatregel. Juist in dit geval - waarin het enkele feit op zich voldoende ernstig is - is er reden te meer om in het belang van de verkeersveiligheid voortvarend te werk te gaan en zo spoedig mogelijk de maatregel op te leggen en de geldigheid van het rijbewijs te schorsen. Daar komt bij dat bij de betrokkene het uitblijven van een besluit de verwachting kan wekken dat de zaak niet zo ernstig wordt opgenomen. Die indruk wordt verder verstrekt indien - zoals hier gesteld - inmiddels de strafrechter een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid heeft opgelegd. De door verweerder geschetste voordelen van zijn werkwijze wegen in dit geval niet op tegen de nadelen die er aan de kant van verzoeker en ook voor de verkeersveiligheid zijn. In zoverre is er sprake van enige mate van onzorgvuldigheid in de besluitvorming.
10. Dat betekent evenwel niet dat er ook een grond is om het bestreden besluit te schorsen. De feiten worden niet betwist en dwingendrechtelijk is bepaald dat die feiten leiden tot de verplichting een onderzoek te ondergaan en schorsing van het rijbewijs. De Regeling geeft geen ruimte om daarvan af te wijken vanwege specifieke omstandigheden van het geval. Daaruit kan worden afgeleid dat het belang van de verkeersveiligheid voorop staat en altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De stelling van verzoeker - dat termijnoverschrijding ertoe zou leiden dat er geheel geen maatregel meer kan worden opgelegd - is dan ook niet in overeenstemming met de doelstelling van de Regeling. In het licht van de hierboven aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling, die op zich duidelijk is en ook consequent wordt gevolgd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar naar verwachting in stand zal blijven. Zie in dit verband de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 11 augustus 2010 (ECLI:NL:RBUTR:2010:2859) en de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 oktober 2015 (ECLI:NL:RBNNE:2015:4699), waarin een termijn van vijftien weken en een termijn van zes en een halve maand aan de orde waren.
11. Daaraan kan niet afdoen hetgeen verzoeker heeft aangevoerd over het gebrek aan afstemming met de procedure bij met de strafrechter. Verweerder heeft terecht gesteld dat het opleggen van een onderzoek en schorsing van het rijbewijs geen criminal charges zijn in de zin van artikel 6 van de Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2015 (ECLI:N:RVS:2015:1460), kan een onderzoek naar de rijgeschiktheid niet als een criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM worden aangemerkt, en geldt dit evenzo voor een besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs. Het betreft een bestuurlijke maatregel die er op is gericht de deelname aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig af te dwingen en die daarmee strekt tot bevordering van de verkeersveiligheid. De uit artikel 6 van het EVRM volgende waarborgen, waaronder het door verzoeker bedoelde ne bis in idem-beginsel, kunnen niet in rechte worden ingeroepen. De verwijzing van verzoeker naar de uitspraak van het EHRM van 27 november 2014 (EHRC 2015/39 inzake Lucky Dev/Zweden) over het ne bis in idem-beginsel gaat niet op.
12. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A.M. Cooijmans voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.L.J. Spierings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2015.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.