Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 februari 2015 in de zaak tussen
Procesverloop
.
Overwegingen
Beslissing
Rechtbank Rotterdam
Eiser is op 21 augustus 2012 op staande voet ontslagen en heeft later een WW-uitkering aangevraagd. Na een eerste afwijzing wegens onvoldoende gewerkte weken, heeft eiser een tweede aanvraag ingediend met een vaststellingsovereenkomst die het dienstverband beëindigt per 11 oktober 2012.
Verweerder heeft het dagloon vastgesteld op basis van loongegevens binnen de referteperiode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012, waarbij loon dat pas na afloop van deze periode is vorderbaar geworden buiten beschouwing is gelaten. Eiser betoogt dat het loon uit de vaststellingsovereenkomst meegenomen moet worden en dat de ingangsdatum van de uitkering eerder moet zijn.
De rechtbank oordeelt dat de aanvraag van 25 juni 2013 als herhaling van de eerdere aanvraag wordt gezien en dat geen aanvraag per 11 oktober 2012 is gedaan. Het loon uit de vaststellingsovereenkomst is pas na de referteperiode vorderbaar en mag daarom niet worden meegenomen in de dagloonberekening.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van het dagloon en de ingangsdatum van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.