Eiseres ontving een WIA-uitkering die vanaf 1 mei 2014 werd gekort met een bedrag van € 1.447,63 per maand, omdat verweerder de door de kantonrechter toegekende vergoeding over de periode van 1 mei tot 21 augustus 2014 als loondoorbetaling beschouwde. De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst ontbonden en een bruto vergoeding van € 12.250,- toegekend als compensatie voor inkomensschade.
Verweerder stelde dat deze vergoeding als inkomen uit loondoorbetaling moest worden gezien en daarom op de WIA-uitkering in mindering mocht worden gebracht. Eiseres betoogde dat de vergoeding een billijke compensatie was en geen loon, mede omdat haar arbeidsovereenkomst per 1 mei 2014 was beëindigd.
De rechtbank volgde eiseres en oordeelde dat de vergoeding moet worden aangemerkt als inkomen uit vroegere dienstbetrekking en niet tot het inkomen als bedoeld in de Wet WIA behoort. Dit volgt uit de uitleg van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en de jurisprudentie over het onderscheid tussen tegenwoordige en vroegere dienstbetrekking.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover daarin de korting op de WIA-uitkering werd toegepast. Tevens veroordeelde zij verweerder tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres.