ECLI:NL:RBROT:2015:6759

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 september 2015
Publicatiedatum
22 september 2015
Zaaknummer
C/10/480268 / HA ZA 15-750
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 127a lid 2 RvArt. 127 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen toepassing hardheidsclausule bij te late betaling griffierecht door eiser

Venour B.V. is als eiseres een civiele procedure gestart tegen gedaagde. Volgens artikel 3 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken is iedere partij in een civiele procedure griffierecht verschuldigd, dat binnen vier weken na de eerstdienende dag moet zijn voldaan. De procedure diende voor het eerst op 15 juli 2015, maar het griffierecht van Venour werd pas op 18 augustus 2015 ontvangen, wat te laat is.

Op grond van artikel 127a lid 2 Rv leidt het niet tijdig betalen van het griffierecht tot ontslag van de gedaagde van de instantie, tenzij toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is. Venour stelde dat zij vanwege een slechte liquiditeitspositie door niet-nakoming van de overeenkomst door gedaagde te laat betaalde, en dat ontslag van de instantie onbillijk zou zijn.

De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Venour had als eiseres, bijgestaan door een advocaat, rekening moeten houden met de vaste termijn voor betaling van het griffierecht en het risico van te late betaling ligt bij haar. Daarom wordt gedaagde van de instantie ontslagen en Venour veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt ontslagen van de instantie wegens te late betaling van het griffierecht door Venour, zonder toepassing van de hardheidsclausule.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/480268 / HA ZA 15-750
484143 / KG ZA 15-982
Vonnis van 9 september 2015
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VENOUR B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. W.H.J.W. de Brouwer,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. H.E. Eelkman Rooda.
Partijen zullen hierna Venour en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding, tevens houdende een provisionele vordering ex artikel 223 Rv Pro;
  • de akte van Venour.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Op grond van artikel 3 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is iedere verschenen partij in een civiele procedure een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van die bepaling dient de eiser ervoor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerstdienende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Voor de gedaagde geldt een termijn van vier weken na zijn verschijning.
2.2.
Deze zaak diende voor het eerst op 15 juli 2015. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht van Venour pas op 18 augustus 2015 is ontvangen. Dat is dus te laat.
2.3.
Op grond van artikel 127a lid 2 Rv ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie als de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Op grond van artikel 127 lid 3 Rv Pro laat de rechter deze consequentie buiten toepassing als hij van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2.4.
Bij akte heeft Venour aangevoerd dat zij haar bedrijfsvoering met name gericht heeft op de samenwerking met [gedaagde] en dat, omdat [gedaagde] de tussen partijen gesloten overeenkomst niet nakomt, in een slechte liquiditeitspositie verkeert. Om die reden heeft zij te laat betaald. Om deze reden zou ontslag van instantie van [gedaagde] leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, aldus Venour.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen grond bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. Zij wijst daartoe op het volgende.
2.6.
Venour is als eiseres in deze procedure degene die het initiatief heeft genomen om de procedure te beginnen. Zeker nu Venour wordt bijgestaan door een advocaat, had van haar verwacht mogen worden dat zij tevoren rekening had gehouden met het gegeven dat zij binnen vier weken na het begin van de procedure het griffierecht moest voldoen. Dat is immers een vaste termijn die met zoveel woorden in de wet staat. Van Venour had dus verwacht mogen worden dat zij op tijd zou beschikken over de benodigde financiën om het griffierecht tijdig te betalen. Dat zij dat kennelijk niet heeft gedaan komt voor haar risico.
2.7.
De rechtbank zal [gedaagde] dan ook overeenkomstig het uitgangspunt van de wet van de instantie ontslaan.
2.8.
Gelet op het bepaalde in artikel 127a lid 2 Rv wordt Venour veroordeeld in de proceskosten, te begroten op € 285,-- aan griffierecht.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
ontslaat [gedaagde] van de instantie;
3.2.
veroordeelt Venour in de proceskosten van [gedaagde] , begroot op € 285,--.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2015.
1980