ECLI:NL:RBROT:2015:6044

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 augustus 2015
Publicatiedatum
18 augustus 2015
Zaaknummer
ROT 14/2279
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wwb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete wegens niet melden van inkomsten in strijd met inlichtingenplicht Wwb

De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiser tegen een boete opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wegens het niet melden van inkomsten uit werk bij ASVZ, in strijd met artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (Wwb).

Eiser had inkomsten ontvangen in juli en augustus 2013 zonder deze te melden, waardoor de bijstandsuitkering achteraf moest worden herzien en teruggevorderd. Hoewel eiser later informatie verstrekte, was de inlichtingenplicht in de betreffende periode geschonden. Het verweer dat de gevraagde informatie bij een overheidsinstantie te verkrijgen was, faalde omdat de ministeriële regeling die dit zou regelen nog niet was vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat de boete terecht was opgelegd wegens grove schuld, maar verlaagde deze van € 910 naar € 690 op verzoek van verweerder. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Uitkomst: De boete wegens niet melden van inkomsten wordt verminderd naar € 690 en het beroep wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2
zaaknummer: ROT 14/2279

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.E. Braak.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete van € 1000,- opgelegd.
Bij besluit van 14 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen gegrond verklaard en de hoogte van de boete nader vastgesteld op € 910,-.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is op 5 september 2014 ter zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Verweerder is verschenen bij R. Duivenvoorde.
De rechtbank heeft het onderzoek op 26 januari 2015 heropend en verweerder verzocht een nader standpunt in te nemen naar aanleiding van nieuwe jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
Bij brief van 5 maart 2015 heeft verweerder zijn reactie gegeven.
Hoewel daartoe uitgenodigd heeft eiser geen reactie gegeven op dit nadere standpunt van verweerder.
De zaak is opnieuw ter zitting behandeld op 13 augustus 2015. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Verweerder heeft aan eiser een boete opgelegd van uiteindelijk € 690,- omdat hij niet zou hebben voldaan aan de inlichtingenplicht zoals vermeld in artikel 17, eerste lid van de Wet werk en bijstand (Wwb) (zoals deze gold ten tijde van belang) en daarbij sprake zou zijn van grove schuld.
Eiser voert als beroepsgrond aan dat verweerder ten onrechte een boete aan hem heeft opgelegd, omdat in zijn geval geen inlichtingenplicht bestond en omdat er nog geen feiten en omstandigheden te melden waren in de periode waarover verweerder hem schending van artikel 17, eerste lid, van de Wwb verwijt. Deze beroepsgrond faalt.
2.1
Vaststaat dat eiser niet aan verweerder heeft gemeld dat hij werk had gevonden bij ASVZ. Dit terwijl het hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zijn werkzaamheden bij ASVZ van invloed konden zijn op de (hoogte van) zijn bijstandsuitkering. Nu is verweerder door een signaal van de Belastingdienst en pas (ruim) nadat eiser in juli en augustus 2013 inkomsten heeft ontvangen hiervan op de hoogte gesteld, waardoor verweerder genoodzaakt was de uitkering van eiser achteraf te herzien en terug te vorderen. Uit het feit dat eiser later gehoor heeft gegeven aan het verzoek van verweerder om over zijn werkzaamheden informatie te verstrekken, volgt niet dat hij in de periode daarvoor zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en betekent evenmin dat er geen gevolgen verbonden kunnen worden aan de schending van de inlichtingenplicht in de daarvoor gelegen periode.
2.2
Eiser betoogt voorts tevergeefs dat de aan hem gevraagde informatie bij een overheidsinstantie was te verkrijgen, waardoor eiser zijn werkzaamheden bij ASVZ niet hoefde te melden. De ministeriële regeling genoemd in de laatste volzin van artikel 17, eerste lid, van de Wwb, waar eiser op doelt, is tot op heden niet is vastgesteld, zodat de op eiser rustende inlichtingenverplichting onverkort van toepassing blijft (vergelijk Centrale Raad van Beroep, 20 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1784
). Overigens ziet de rechtbank niet in dat verweerder uit het aanvragen van een verklaring omtrent gedrag bij de gemeente Rotterdam door eiser af had moeten leiden dat eiser ergens zou gaan werken.
3. Eiser heeft tegen de hoogte van de boete geen gronden aangevoerd. De rechtbank heeft verder geen gegevens waaruit blijkt dat de boete vanwege eisers financiële situatie onevenredig is. Andere dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van boeteoplegging af te zien zijn evenmin gebleken.
4. Aangezien verweerder in beroep heeft aangegeven dat de boete verlaagd moet worden naar € 690,-, is het beroep gegrond. Verweerder dient aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat eiser een boete is verschuldigd van € 690,-;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Noordegraaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2015.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.