Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- de vrouw met haar advocaat en
- de man met zijn advocaat.
2.De beoordeling
€ 7.600,--
€ 1.741,56
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure bij de Rechtbank Rotterdam staat de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden tussen partijen centraal. Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding en hebben een woning in gemeenschappelijk eigendom. De vrouw vordert vergoeding van investeringen uit haar privévermogen, met name schenkingen van haar ouders.
De rechtbank stelt vast dat het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW Pro niet van toepassing is op het privévermogen van de vrouw vanwege de wijze waarop de man de financiën beheerde. De man heeft onvoldoende bewijs geleverd dat het privévermogen van de vrouw uit verrekenbaar inkomen zou zijn gevormd. De woning wordt aan de man toegedeeld onder de voorwaarde dat hij een bedrag van ruim € 92.900 aan de vrouw vergoedt, plus de helft van de resterende overwaarde.
Verder worden de gezamenlijke bankrekeningen en overige vermogensbestanddelen verdeeld, waarbij het vermogen van de vrouw grotendeels buiten verrekening blijft. De inboedel wordt getaxeerd en verdeeld. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen kunnen binnen drie maanden hoger beroep instellen.
Uitkomst: De woning wordt aan de man toegedeeld onder voorwaarde van vergoeding aan de vrouw van ruim € 92.900 plus de helft van de resterende overwaarde, en de man wordt veroordeeld tot betaling van € 60.409,98 aan de vrouw.