ECLI:NL:RBROT:2015:1583
Rechtbank Rotterdam
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Handhavingsverzoek opslag palen in scheisloot afgewezen wegens onevenredigheid
Eiser verzocht het hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard om handhavend op te treden tegen het opslaan van palen in een scheisloot door een derde-belanghebbende. Verweerder wees dit verzoek aanvankelijk af omdat de palen de door- en afvoer van water niet belemmeren. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard en daarop stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank stelde vast dat het opslaan van de palen zonder vergunning in strijd is met artikel 4.1, eerste lid onder c van de Keur, waardoor in beginsel handhavend moet worden opgetreden. Er was echter geen concreet zicht op legalisatie en de vraag was of handhaving onevenredig zou zijn. Gelet op het feit dat de palen al sinds 1993 aanwezig zijn, geen wateroverlast is gemeld en de sloot doodlopend is en tussen percelen van de derde-belanghebbende ligt, oordeelde de rechtbank dat het belang van eiser onvoldoende was aangetoond.
De rechtbank concludeerde dat de afwatering van de percelen van eiser niet afhankelijk is van de watergang met de palen en dat de overtreding van geringe omvang is. Handhaving zou onevenredig zijn ten opzichte van de belangen die daarmee gediend zouden worden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om niet handhavend op te treden tegen de opslag van palen in de scheisloot wordt ongegrond verklaard.