Eiser ontving een WW-uitkering en meldde telefonisch werkzaamheden via een uitzendbureau, maar vulde niet tijdig het verplichte inkomstenformulier in voor een specifieke week in februari 2013. Verweerder trok de uitkering in, vorderde terugbetaling en legde een boete van €150 op wegens inlichtingenverzuim.
Eiser voerde aan dat hij de werkzaamheden tijdig had gemeld en dat hij dacht dat betaling pas zou volgen na het indienen van het formulier. De rechtbank oordeelde dat eiser objectief en subjectief verwijtbaar handelde door niet tijdig de uren en loon op te geven, waardoor intrekking en boeteoplegging terecht waren.
Gezien het nieuwe beleid van verweerder, dat bij late melding binnen zes weken een lagere boete van €40 voorschrijft, stelde de rechtbank de boete vast op dit lagere bedrag. Het beroep werd gegrond verklaard voor zover het de boete betrof, het bestreden besluit werd vernietigd en de boete herzien.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten ten gunste van eiser. Het beroep werd voor het overige ongegrond verklaard.