Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift, met (6) producties, ontvangen op 23 september 2014;
- de brief van 2 oktober 2014 van [verzoeker] voorafgaand aan de mondelinge behandeling, met een aanvullende productie (7);
- de brief van 3 oktober 2014 van [verzoeker] voorafgaand aan de mondelinge behandeling, met een nadere productie (8);
- het verweerschrift, met (12) producties;
- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotities aan de zijde van [verzoeker], met 2 bijlagen;
- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen aan de zijde van Do Company.
2.De feiten
3.Het verzoek en de grondslag daarvan
- het feit dat zij geen passende vertrekregeling wenst aan te bieden, terwijl [verzoeker] geen enkel verwijt kan worden gemaakt omdat hij steeds uitstekend heeft gefunctioneerd en de reden van de beëindiging geheel in de risicosfeer van Do Company ligt;
- het feit dat zij niet bereid is gebleken om [verzoeker] een beter uitgebalanceerd voorstel te doen, daarvoor ook niet openstaat en is voortgegaan met het indienen van de ontslagvergunningsaanvraag en daardoor heeft gekozen voor de voor Do Company “goedkoopste oplossing”, die voor [verzoeker] veel financiële consequenties oplevert;
- het feit dat zij weliswaar stelt dat haar activiteiten eindigen, maar dat op zijn zachtst gezegd twijfelachtig is en niet helder is hoe zich dat zal vertalen in andere onderdelen van het concern;
- het feit dat zij welbewust (en weloverwogen) weigert om een compleet beeld van haar concern te schetsen, waardoor een deugdelijke beoordeling in feite onmogelijk wordt gemaakt.