Partijen zijn sinds 2004 samenwerkende orthodontisten in een praktijkpand met een overeenkomst voor onbepaalde tijd, waarin afspraken zijn gemaakt over beëindiging en opvolging van de praktijk. In maart 2013 zegde de gedaagde de samenwerking op met inachtneming van de opzegtermijn tot 1 april 2014. De eiseres vorderde daarop ontruiming van de praktijk door de gedaagde per die datum.
De eiseres stelde dat de gedaagde de praktijk moest verlaten omdat zij geen gebruik had gemaakt van haar voorkeursrecht en de voorgedragen opvolgers niet acceptabel waren. De gedaagde stelde dat partijen in december 2012 overeenstemming hadden bereikt over de koop van goodwill, maar na afzien daarvan meerdere kandidaten had voorgedragen die waren afgewezen. Vervolgens was een afspraak gemaakt om een door de gedaagde voorgedragen kandidaat in te werken, wat ook was gebeurd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vordering tot ontruiming niet toewijsbaar was omdat de afspraak over inwerken van de kandidaat opvolger aannemelijk was geworden en ontruiming deze afspraak zou doorkruisen met ongewenste gevolgen voor alle betrokkenen. Het belang van de eiseres moest wijken voor dat van de gedaagde, de opvolger, de medewerkers en patiënten totdat een arbitrage of bodemprocedure hierover zou beslissen.
De vordering werd afgewezen en de eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde.