Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het proces-verbaal van descente en de daarin genoemde stukken,
- het tussenvonnis van 9 januari 2013 en de daarin genoemde stukken,
- de brief van mr. Procee van 7 januari 2013, met bijlage,
- het concept-deskundigenbericht van 27 maart 2013,
2.De verdere beoordeling
Voor zover op het onteigende of een gedeelte daarvan krachtens het vigerende bestemmingsplan “Groenzone” de bestemming “Recreatieve doeleinden en natuur” (soms in combinatie met de bestemming “water”) rust, dient in beginsel voorafgaand aan de waardebepaling onderzocht te worden of de invloed van deze bestemming krachtens het bepaalde in artikel 40e 0w geëlimineerd moet worden. Aangezien de betrokken bestemming als een onrendabele bestemming moet worden aangemerkt, komt alleen de eventuele eliminatie van een nadelige invloed van deze bestemming aan de orde. Voorop staat hierbij, dat met eliminatie een ander resultaat voor de schadeloosstelling moet worden bereikt dan zonder eliminatie. Is dat niet het geval, bijvoorbeeld omdat de op de vigerende bestemming en bestaand gebruik gebaseerde waarde van de grond niet verandert wanneer de invloed van de vigerende bestemming bij de waardebepaling wordt geëlimineerd, dan bestaat geen belang bij beroep op de eliminatieregel en kan het soms gecompliceerde onderzoek naar de toepasselijkheid daarvan achterwege worden gelaten. Deze redenering kan worden afgeleid uit de negen Dowato-arresten van de Hoge Raad van 25 november 2011, LJN: BS1685, BS1686, BS8872, BS8804, BS8803, BS8802, BS8800, BS8799, BS8806 en BS88805.
- scheppen van een aantrekkelijk woon- en leefmilieu voor mens, plant en dier;
- ontwikkeling van vitale, recreatieve en ecologische verbindingen;
- vormgeven van goede verbindingen en aantrekkelijke overgangsgebieden tussen stad en land;
- versterken van de identiteit van het gebied met water als inrichtingsmiddel;
- creëren en beheren van een duurzame water- en milieu-inrichting.”
Bij een waardering van de grond als potentiële glastuinbouwgrond dient er vanuit te worden gegaan dat de bedrijfsgebouwen geen relatie meer hebben tot het grasland. Dientengevolge hebben zij als gevolg van de te realiseren glastuinbouwpotentie een functieverandering ondergaan en hebben zij door dit functieverlies ten opzichte van het grasland geen grondgebonden verhouding meer. Een redelijk handelend eigenaar zal, indien hij in de gelegenheid wordt gesteld zijn voor veehouderij in gebruik zijnd grasland te verkopen ten behoeve van glastuinbouwdoeleinden, waardoor een prijs gerealiseerd kan worden die een veelvoud vormt van de prijs bij voortgezet gebruik als grasland, kiezen voor het realiseren van die hogere prijs en daarbij een eventuele waardedaling van grondgebonden gebouwen voor liefnemen.”