Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2014:4422

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2014
Publicatiedatum
2 juni 2014
Zaaknummer
C/10/446674 / FT RK 14/160
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing faillissementsverzoek wegens onvoldoende bewijs van opeisbare vordering en betalingsonmacht

Verzoekster, een besloten vennootschap, verzocht de rechtbank om verweerster, eveneens een besloten vennootschap, failliet te verklaren wegens niet-nakoming van betalingsverplichtingen uit een koopovereenkomst. Verzoekster stelde dat verweerster betalingsonmacht en betalingsonwil vertoonde en mogelijk een sterfhuisconstructie toepaste. Verweerster betwistte het bestaan van een opeisbare vordering en stelde niet in staat van faillissement te verkeren.

Tijdens de zitting op 6 mei 2014 werd vastgesteld dat de vordering van verzoekster nog niet opeisbaar was en dat de ING Bank, als schuldeiser, haar vordering niet had opgezegd. Verweerster betwistte bovendien dat achterstallige salarissen onbetaald waren gebleven, hetgeen niet door verzoekster werd weersproken.

De rechtbank concludeerde dat niet summierlijk was gebleken dat verweerster is opgehouden te betalen. De vrees van verzoekster voor toekomstige niet-betaling was onvoldoende om faillissement te rechtvaardigen, temeer daar zij reeds meer dan €600.000 had ontvangen. Het verzoek werd afgewezen en verzoekster werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het faillissementsverzoek wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van opeisbare vordering en betalingsonmacht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie
Rekestnummer:[nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam]
gevestigd te Rotterdam
verzoekster
advocaat: mr. drs. M.O. Kraamwinkel te Rotterdam
strekkende tot faillietverklaring van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam]
gevestigd te Vlaardingen
verweerster
advocaten: mr. N.H.M. ten Bokum en mr. M.P.E. D’haene te Den Haag

1.De procedure

Op 6 mei 2014 zijn in de raadkamer gehoord de heer [naam]en mr. Kraamwinkel, namens verzoekster en de heer [naam], middellijk bestuurder van verweerster, mr. Ten Bokum en mr. M.P.E. D'haene, advocaat, namens verweerster .
Voorafgaande aan de behandeling in raadkamer van 6 mei 2014 hebben zowel verzoekster als verweerster (aanvullende) producties aan de rechtbank overgelegd.
Tijdens de behandeling in raadkamer hebben zowel mr. Kraamwinkel als mr. Ten Bokum pleitnotities aan de rechtbank overgelegd.

2.De standpunten

Verzoekster heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 10 maart 2014, de rechtbank verzocht verweerster in staat van faillissement te verklaren. Zij doet haar verzoek stoelen op, zakelijk weergegeven, het navolgende:
Verzoekster heeft in 2011 haar onderneming aan verweerster verkocht en de koopprijs dient in tien termijnen te worden voldaan. Verweerster voldeed de opengevallen termijnen niet, danwel niet uit eigen beweging en uit eigen middelen, terwijl de vordering als brengschuld kwalificeert. Vanwege de niet (tijdige) betalingen heeft verzoekster reeds tweemaal eerder het faillissement aangevraagd, waarna verweerster alsnog tot betaling overging. Verzoekster stelt dat er sprake is van betalingsonmacht en betalingsonwil en dat verweerster en haar bestuur, al dan niet met medeweten van de bank, bezig zijn met een zogenoemde “sterfhuis-constructie”. Voorts stelt verzoekster dat verweerster geen duidelijkheid verschaft omtrent de gang van zaken en weigert zekerheid te stellen voor de betaling van toekomstig openvallende termijnen. Ten slotte stelt verzoekster dat er sprake is van meer schuldeisers. Verweerster heeft een rekening-courant relatie met de ING Bank. De ING Bank heeft aan verzoekster erkend dat zij een vordering heeft.
Verzoekster stelt, dat verweerster verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, zodat zij gerechtigd is haar faillietverklaring te verzoeken.
Verweerster heeft tijdens de behandeling in raadkamer, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoekster geen belang heeft bij het verzoek tot faillietverklaring en dat verzoekster geen opeisbare vordering op verweerster heeft. Voorts voert verweerster aan dat zij niet in een toestand van te hebben opgehouden te betalen verkeert. Hiertoe verwijst verweerster onder andere naar het memo van[naam] van 5 mei 2014. Ten slotte voert verweerster aan dat verzoekster ongefundeerde veronderstellingen aan het faillissementsverzoek ten grondslag heeft gelegd. Derhalve verzoekt verweerster het verzoek tot haar faillietverklaring af te wijzen en verzoekster te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.De beoordeling

Artikel 6, derde lid van de Faillissementswet bepaalt dat summierlijk dient te blijken van het bestaan van feiten en of omstandigheden, welke aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze.
Ten aanzien van haar eigen vorderingsrecht heeft verzoekster tijdens de behandeling in raadkamer verklaard dat deze thans nog niet opeisbaar is. Ten aanzien van de vordering van de ING Bank heeft verweerster voldoende gemotiveerd betwist dat sprake is van een opeisbare vordering uit de rekening-courantverhouding tussen verweerster en de bank, omdat aan de rekening-courant verhouding een overeenkomst ten grondslag ligt waarin is bepaald dat vordering uit dien hoofde eerst opeisbaar wordt indien de overeenkomst is opgezegd. Verzoekster heeft niet gesteld dat de ING Bank de rekening-courantverhouding heeft opgezegd en dit is ook niet anderszins gebleken. Voorts heeft verweerster ten aanzien van de door verzoekster gestelde onbetaalde salarissen van personeelsleden gemotiveerd betwist dat deze onbetaald zijn gelaten. Zij heeft aangevoerd dat deze salarissen, inclusief de wettelijke verhoging, inmiddels zijn voldaan. Dit is door verzoekster niet weersproken. Verzoekster heeft derhalve onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een opeisbare vordering. De rechtbank is daarom van oordeel dat er niet summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. De enkele vrees van verzoekster dat een volgende deelbetaling van € 37.500,- misschien niet of niet tijdig voldaan zal worden, is onvoldoende grond om verweerster failliet te verklaren, met name bezien in het licht van het feit dat verzoekster niet heeft weersproken dat zij inmiddels meer dan € 600.000,- van verweerster heeft ontvangen uit hoofde van de koopovereenkomst. Het verzoek tot faillietverklaring wordt daarom afgewezen.
De rechtbank is van oordeel dat de faillissementsprocedure in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vorderingen door verweerster prematuur was. Het verzoek van verweerster om verzoekster te veroordelen in de kosten van deze procedure wordt daarom toegewezen. De rechtbank zal de kosten van deze procedure vaststellen conform het liquidatietarief voor rechtbanken en hoven.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring;
- veroordeelt verzoekster in de proceskosten, aan de zijde van verweerder bepaald op
€ 452,- aan salaris voor de advocaat.
Deze beschikking is, bij vervroeging, op 8 mei 2014 gegeven door mr. V.M. de Winkel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pieters-Boelhouwer, griffier. [1]