ECLI:NL:RBROT:2014:4422
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faillissementsverzoek wegens onvoldoende bewijs van opeisbare vordering en betalingsonmacht
Verzoekster, een besloten vennootschap, verzocht de rechtbank om verweerster, eveneens een besloten vennootschap, failliet te verklaren wegens niet-nakoming van betalingsverplichtingen uit een koopovereenkomst. Verzoekster stelde dat verweerster betalingsonmacht en betalingsonwil vertoonde en mogelijk een sterfhuisconstructie toepaste. Verweerster betwistte het bestaan van een opeisbare vordering en stelde niet in staat van faillissement te verkeren.
Tijdens de zitting op 6 mei 2014 werd vastgesteld dat de vordering van verzoekster nog niet opeisbaar was en dat de ING Bank, als schuldeiser, haar vordering niet had opgezegd. Verweerster betwistte bovendien dat achterstallige salarissen onbetaald waren gebleven, hetgeen niet door verzoekster werd weersproken.
De rechtbank concludeerde dat niet summierlijk was gebleken dat verweerster is opgehouden te betalen. De vrees van verzoekster voor toekomstige niet-betaling was onvoldoende om faillissement te rechtvaardigen, temeer daar zij reeds meer dan €600.000 had ontvangen. Het verzoek werd afgewezen en verzoekster werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het faillissementsverzoek wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van opeisbare vordering en betalingsonmacht.