ECLI:NL:RBROT:2014:4356

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 mei 2014
Publicatiedatum
28 mei 2014
Zaaknummer
700148-13
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Moord op slachtoffer met verzekeringsuitkering als motief

Op 28 mei 2014 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die samen met een mededader het slachtoffer heeft vermoord. De verdachte had in opdracht van de mededader gehandeld, met als doel een uitkering onder een levensverzekering te verkrijgen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. De feiten vonden plaats in de periode van 24 tot 25 februari 2013 in Rotterdam, waar het lichaam van het slachtoffer werd aangetroffen in zijn woning, gekneveld en met een mes in zijn lichaam. De verdachte heeft tijdens het proces bekend dat hij het slachtoffer heeft gedood, maar de rechtbank heeft de verklaringen van de verdachte met grote terughoudendheid beoordeeld, gezien zijn verstandelijke beperkingen en de invloed van zijn medeverdachte. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en ter beschikkingstelling met dwangverpleging, gezien het hoge recidiverisico en de noodzaak voor behandeling. De benadeelde partij, de dochter van het slachtoffer, heeft een schadevergoeding gevorderd, waarvan een deel is toegewezen. De rechtbank heeft de verdachte ook veroordeeld tot betaling van de kosten van rechtsbijstand van de benadeelde partij. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer voor strafzaken.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10/700148-13
Datum uitspraak: 28 mei 2014
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
ten tijde van de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, locatie Rotterdam,
raadsman mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam.
ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 en 14 mei 2014.
TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
De beschuldigingen aan de verdachte kunnen als volgt worden samengevat:
- feit 1:
poging tot oplichting van Nationale Nederlanden ter zake een verzekering op het leven van [slachtoffer]
- feit 2:
moord dan wel (gekwalificeerde) doodslag op [slachtoffer];
- feit 3:
zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbende, van[slachtoffer].
EIS OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie mr. G.C. Bos heeft gerekwireerd:
- vrijspraak van het onder 1 en 3 tenlastegelegde;
- bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging.
MOTIVERING VRIJSPRAAK
Het onder 1 tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu de officier van justitie daartoe heeft
gerekwireerd en de raadsman eveneens vrijspraak heeft bepleit, zal deze beslissing niet nader worden gemotiveerd. Het onder 3 tenlastegelegde is evenmin wettig en overtuigend bewezen. Voor de motivering van deze beslissing wordt verwezen naar de hierna volgende bewijsoverwegingen over feit 2 en 3.
BEWEZENVERKLARING
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:
2.
primair
hij in de periode van 24 februari 2013 tot en met 25 februari 2013 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,
- een kussensloop over het hoofd van die [slachtoffer] gedaan en die kussensloop dichtgetaped om het hoofd van die[slachtoffer] en
- die [slachtoffer] aan zijn enkels en ellebogen en handen getaped en
- met het (dichtgetapede) hoofd van die [slachtoffer] op de grond gebonkt en
- een of meer handelinen van uitwendig mechanisch geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend,
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
BEWIJSMOTIVERING
De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN OVER DE FEITEN 2 EN 3
Inleiding
Op 25 februari 2013 is in de woning aan de [adres slachtoffer] te Rotterdam het stoffelijk overschot van [slachtoffer] gevonden. Hij werd aangetroffen in de woonkamer, liggend op zijn buik op de grond, armen, handen en benen gekneveld met duct-tape en uit de rechterkant van zijn heup stak het heft van een mes. Om zijn hoofd zat een kussensloop dat met tape was omwonden. Het lichaam van [slachtoffer] was al koud en stijf toen de politie ter plaatse kwam.
[slachtoffer] is evident door een misdrijf om het leven is gekomen.
De verdachte heeft bekend dat hij Rijsdijk opzettelijk heeft gedood. Kort gezegd komt zijn verklaring er op neer dat medeverdachte [medeverdachte]) en [slachtoffer] hadden afgesproken dat [slachtoffer] op 24 februari 2013 zou worden mishandeld om een verzekeringsuitkering te krijgen, dat [medeverdachte] op het laatste moment tegen de verdachte had gezegd dat[slachtoffer] dood moest en dat vervolgens [medeverdachte] en de verdachte [slachtoffer] daadwerkelijk hebben gedood.
Behoedzaamheid bij het gebruik van de verklaring van de verdachte
De rechtbank heeft zich in deze zaak ambtshalve de vraag gesteld of de verklaringen van de verdachte – een zwakbegaafde en zeer beïnvloedbare man – voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Uit het dossier blijkt dat de politie de ouders van de verdachte heeft benaderd nadat hij zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht had beroepen. Later heeft hij in een gesprek in De Schie aan zijn ouders verteld dat hij ‘het’ had gedaan, dat hij ‘daar’ was met ‘hem alleen en die tyfuslijer’ en dat dat hij ‘die man had doodgemaakt’ ‘omdat die klootzak zei dat hij daar geld voor zou krijgen’. Zijn moeder heeft daarna tegen de politie gezegd dat haar zoon een verklaring wilde afleggen. Bij het daarop volgende verhoor op 16 mei 2013 beriep de verdachte zich wederom op zijn zwijgrecht en zijn moeder is vervolgens op verzoek van de politie naar het bureau gekomen, waar zij – buiten aanwezigheid van opnameapparatuur of politieagenten – met hem heeft gesproken. Daarna heeft de verdachte in aanwezigheid van zijn moeder telefonisch en later in persoon overleg gehad met zijn advocaat. Vervolgens vond een verhoor plaats waarin de verdachte de dood van [slachtoffer] bekende en [medeverdachte] aanwees als zijn mededader.
Naar het oordeel van de rechtbank getuigt het naar de verdachte, gelet op zijn verstandelijke beperkingen, toe van zorgvuldigheid dat de politie getracht heeft om zijn rol duidelijk te krijgen, omdat hij anders het risico liep op basis van het aantroffen DNA te worden
veroordeeld als enige dader. Gelijktijdig moet echter wel vastgesteld worden dat de benadering van de politie, juist vanwege de volgzaamheid van de verdachte, het risico in zich draagt dat deze zou vertellen wat de politie destijds vermoedde, namelijk dat de verdachte en [medeverdachte][slachtoffer] hadden gedood en dat [medeverdachte] daarbij een leidende rol had gespeeld.
Inhoudelijk blijkt uit de processen-verbaal van verhoor dat de verdachte tijdens zijn verhoren op onderdelen wisselende verklaringen heeft afgelegd. Ook stelt hij zijn verklaring op punten bij wanneer hij wordt geconfronteerd met onderzoeksresultaten die zijn verklaring weerleggen. Verder bevatten zijn verklaringen elementen waarbij vraagtekens gesteld moeten worden. Zo kan hij niet gezien hebben dat er bloed uit de mond en/of neus van [slachtoffer] spoot. Diens hoofd was immers ingepakt in een kussensloop met duct-tape eroverheen. Wel kan hij enig bloed hebben gezien, nu er bloedspetters zijn aangetroffen rondom het lichaam van [slachtoffer]. Verder acht de rechtbank niet buiten gerede twijfel verheven dat [slachtoffer] met een metalen ketting gedurende circa 20 minuten zou zijn gewurgd, zoals de verdachte heeft verklaard. De hals en nek van het slachtoffer waren weliswaar enigszins beschermd door een kussensloop en mogelijk ook door een of meerdere lagen duct-tape, maar de rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat 20 minuten wurgen met een metalen ketting door een of meerdere volwassen, stevig gebouwde mannen geen significante sporen van die ketting op hals, nek, kussensloop en (mogelijk) tape zou hebben gelaten. In de rapportage van de patholoog wordt wel letsel beschreven aan hals en nek en verwurging wordt als mogelijk doodsoorzaak benoemd, maar de wurgen met een ketting gedurende langere tijd wordt niet als zodanig genoemd. Ook in het forensisch onderzoek naar het kussensloop en de duct-tape blijkt niet van beschadigingen die hierop zouden wijzen. Op deze twee hierboven aangehaalde punten zal de verklaring van de verdachte niet voor het bewijs gebruikt worden.
Het voorgaande betekent niet dat de verklaringen van de verdachte zonder betekenis zijn. Op belangrijke punten vinden die verklaringen immers steun in andere bewijsmiddelen, zoals hierna zal blijken.
Al met al concludeert de rechtbank dat de verklaringen van de verdachte tot het bewijs kunnen bijdragen, maar alleen met grote terughoudendheid en alleen in aanvulling op andere bewijsmiddelen.
Voldoende ander bewijs
De bekennende verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] heeft gedood, vindt steun in het feit dat zijn DNA is aangetroffen op de broek van [slachtoffer] en op het mes dat uit het lichaam van het slachtoffer stak. Bovendien sluit zijn verklaring over de wijze waarop[slachtoffer] is gedood aan op de staat waarin de woning en het lichaam zijn aangetroffen.
De verklaring van de verdachte dat[slachtoffer] dacht hij die avond tijdens een geënsceneerde overval in zijn woning mishandeld zou worden teneinde een verzekeringsuitkering te kunnen claimen, wordt bevestigd door de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]; zij verklaren dat zij dit van [slachtoffer] hadden gehoord.
Het staat dan ook buiten twijfel dat [slachtoffer] door de verdachte is gedood. Dat [medeverdachte] daarbij zijn mededader is, blijkt uit het feit dat die medeverdachte daarvoor bij vonnis van gelijke datum door deze rechtbank is veroordeeld.
Moord, (gekwalificeerde) doodslag of zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende.
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.
De raadsman heeft vrijspraak van de tenlastegelegde moord bepleit, hij heeft betoogd dat niet bewezen kan worden dat [slachtoffer] voorbedachte rade op de dood van[slachtoffer] had.
De lezing van de verdachte
Op de vraag aan hem waarom [slachtoffer] is gedood, heeft de verdachte verklaard dat dit van[medeverdachte] moest en dat [medeverdachte] daardoor geld van een verzekeringsmaatschappij zou krijgen. Toen ze naar de woning gingen, dacht de verdachte nog – zo verklaarde hij – dat [slachtoffer] slechts mishandeld zou worden. Eerst in de woning, toen [slachtoffer] naar de WC was, heeft [medeverdachte] gezegd dat [slachtoffer] dood moest. Toen [slachtoffer] – denkend dat hij zou worden mishandeld – daarna met duct-tape was gekneveld, gaf [medeverdachte] een seintje – een knik met het hoofd – en toen wist de verdachte dat “het” moest gebeuren en hebben ze samen [slachtoffer] gedood, aldus nog steeds de verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling; er moet dan ook vanuit worden gegaan dat de verdachte (voldoende) gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Hoe vreselijk het ook is, de rechtbank houdt het er voor dat de verdachte, een zwakbegaafde, extreem volgzame man, ‘gewoon’ heeft gedaan wat [medeverdachte] hem had opgedragen.
Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat verdachte blijkens zijn eigen verklaringen de hele avond van 24 februari 2013 met [medeverdachte] heeft opgetrokken, zij in één auto hebben rondgereden, zij samen een bezoek aan de avondwinkel hebben gebracht en bier en sigaretten voor [slachtoffer] hebben gekocht en afgeleverd en waarover de verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] vervolgens zei dat hij hem dat laatste biertje wel gunde. Op grond van het vorenstaande en de verklaring van de verdachte - zoals hierboven al genoemd - dat [medeverdachte] hem voordat zij de woning van [slachtoffer] binnengingen de keuze gaf tussen wurgen of steken, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat verdachte (voldoende) gelegenheid tot nadenken heeft gehad, temeer nu de verdachte heeft verklaard dat het wurgen van [slachtoffer] geruime tijd heeft geduurd.
De slotsom is dan ook dat de verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer] (feit 2 van de tenlastelegging). Voor feit 3 van de tenlastelegging, zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend, moet hij derhalve worden vrijgesproken.
STRAFBAARHEID FEIT
Het bewezen feit levert op:
2.
primair
medeplegen van moord;
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
STRAFBAARHEID VERDACHTE
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
STRAFMOTIVERING / MOTIVERING MAATREGEL
De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft samen met een mededader[medeverdachte] [slachtoffer] om het leven gebracht. [slachtoffer] is door de verdachte en diens mededader in een machteloze positie gebracht nadat[slachtoffer] in de waan was gebracht dat deze (slechts) zou worden mishandeld om een verzekeringsuitkering te kunnen krijgen.[slachtoffer] was in die waan gebracht door [medeverdachte], maar daarin gelaten door de verdachte. [slachtoffer] is vervolgens op een vreselijke manier overleden. Het is duidelijk dat het plan tot het doden van [slachtoffer] uit de koker van [medeverdachte] komt en niet uit die van de verdachte, maar het is zonder meer schokkend dat de verdachte zonder slag of stoot de dodelijke instructies van [medeverdachte] heeft opgevolgd. Dat maakt de verdachte tot een zeer gevaarlijke man.
Op een dergelijk feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van lange duur.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
25 april 2014 eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De klinisch psycholoog Koudstaal heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 14 maart 2014. Dit rapport houdt – kort samengevat – het volgende in. De verdachte heeft een verstandelijke beperking en een autisme-spectrum stoornis en die maken dat de verdachte gemakkelijk manipuleerbaar is en niet bij machte om te overzien in welke situaties hij zich begeeft. Hij doorziet andermans strategieën niet en is gemakkelijk te strikken met bevredigingen op de korte termijn. Ook ontbreekt het hem als gevolg van zijn stoornissen aan een goed werkend moreel kompas c.q. rem. De verdachte is op grond van zijn stoornissen niet bij machte om vooruit te kijken en/of een inschatting te maken van de reikwijdte van de opdrachten die hem gegeven worden. Er is bij de verdachte sprake van
een verband tussen de diagnose en het hem tenlastegelegde. Geadviseerd wordt daarom de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten.
Er is sprake is van een hoog risico op herhaling, als de verdachte zich nu zelfstandig in de maatschappij zou moeten redden. De aard van de geconstateerde stoornissen maakt dat bij de verdachte geen genezing of grote ontwikkelingen verwacht mogen worden. Begeleiding dient zich bij hem te richten op het stapsgewijs erkennen, accepteren en (voor zover mogelijk) hanteren van zijn beperkingen. Een stevig verplichtend kader, waarin het toezicht intensief is, is dringend geboden.
Om herhaling van delict gedrag te voorkomen heeft de verdachte - aldus de deskundige - een klinische behandeling nodig, waarbij het aanbod is afgestemd zijn op zijn verstandelijke niveau en zijn autistiforme problematiek.
Op grond van de ernst en de chroniciteit van de problematiek, het daaruit voortvloeiend recidiverisico, de sombere prognose en de noodzaak tot een langdurig gecontroleerd traject, acht de psycholoog een TBS met dwangverpleging aangewezen. Ieder ander kader is in duur, intensiteit of beveiliging onvoldoende.
Ook de reclassering schetst in haar rapportage van 31 maart 2014 een beeld van een sociaal en verstandelijk ernstig beperkte man, die de neiging heeft zichzelf in risicovolle situaties te brengen met als gevolg een recidive risico.
De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek door psychiater Trompenaars, waardoor deze deskundige niet tot concrete diagnostische uitspraken heeft kunnen komen. In algemene zin acht de deskundige het zeer aannemelijk dat bij verdachte sprake is van verstandelijke beperkingen.
Gelet op voorgaande conclusies van de gedragsdeskundigen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte als gevolg van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens sterk verminderd toerekeningsvatbaar is te achten.
De aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eisen – naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf – het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling van de verdachte, met het bevel dat hij van overheidswege wordt verpleegd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de kans groot wordt geacht dat de verdachte, zonder behandeling, na zijn detentie een nieuwe relatie zou kunnen aangaan waarin zich opnieuw problemen zouden kunnen voordoen en dat de kans op herhaling van een gewelddadig gedrag niet valt uit te sluiten.
Gelet op de zeer ernstige ontsporing van de verdachte in deze zaak, noopt de veiligheid van anderen of algemene veiligheid van personen tot een behandeling. De rechtbank zal daarom terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen. Anders dan door de raadsman bepleit, kan niet worden volstaan met een terbeschikkingstelling onder voorwaarden.
Vastgesteld wordt dat het bewezen verklaarde feit, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr.
Op de voet van het bepaalde in artikel 359, zevende lid Sv, wordt vastgesteld dat het strafbare feit ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd een misdrijf betreft die gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit redengevend. De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van 4 jaar te boven gaan.
Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.
VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd de dochter van het slachtoffer,
[benadeelde partij], [adres benadeelde partij], ter zake van het onder 2 primair tenlastegelegde feit. Zij vordert een bedrag van € 36.881,53 aan materiële schade,
bestaande uit de kosten van de crematie, de kosten van de priester, gederfde kinderalimentatie en de kosten voor rechtsbijstand. De vordering ter zake van gederfde alimentatie is namens de verdachte betwist.
Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade voor een bedrag van € 7.110,60 is toegebracht, te weten de kosten van de crematie en de kosten van de priester, zal de vordering gedeeltelijk worden toegewezen.
De behandeling van het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de gederfde kinderalimentatie levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal om die reden in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de verdachte het strafbare feit onder 2 primair samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten voor rechtsbijstand door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 500,00 (vastgesteld volgens de tarieven van de sector kanton) en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Gelet is op de artikelen 36f, 37a, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
- stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) jaren, beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
- gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gesteld;
- beveelt dat de terbeschikkinggestelde
van overheidswege wordt verpleegd;
-
wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij],wonende te Rotterdam toe tot een bedrag van
€ 7.110,60(zegge: zevenduizend honderdentien euro en zestig cent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 500,00, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
- legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen
€ 7.110,60; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van
€ 7.110,60vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
65 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.A. Kalk, voorzitter,
en mrs. J.J. van den Berg en N. Doorduijn, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E. van Hoof, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 mei 2014.
Bijlage bij vonnis van 28 mei 2014:
TEKST TENLASTELEGGING.
1.
hij in of omstreeks de periode van 2 januari 2013 tot en met 25 februari 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Nationale Nederlanden Levensverzekeringen Mij. N.V. te bewegen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,
- een overlijdensrisicoverzekering met ongevallendekking heeft afgesloten op het leven van [slachtoffer] en/of
- heeft geregeld dat de begunstigde van die overlijdensrisicoverzekering met ongevallendekking het bedrijf [bedrijf medeverdachte] werd en/of
- ( vervolgens) heeft voorgewend dat die [slachtoffer] is overleden door een overval met gebruikmaking van geweld, de dood ten gevolge hebbend, op die [slachtoffer] door onbekende daders, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] om het leven heeft/hebben gebracht, althans de dood van die [slachtoffer] zelf heeft/hebben veroorzaakt, en/of
- ( vervolgens) een melding heeft gedaan aan Nationale Nederlanden Levensverzekeringen mij. N.V., dat die [slachtoffer] was overleden en/of verzocht om de uitkering die hij zou krijgen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij in of omstreeks de periode van 24 februari 2013 tot en met 25 februari 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,
- een kussensloop over het hoofd van die [slachtoffer] gedaan en/of die kussensloop dichtgetaped om het hoofd van die[slachtoffer] en/of
- die [slachtoffer] aan zijn enkels en/of ellebogen en/of handen getaped en/of
- ( meermalen) met het (dichtgetapede) hoofd van die [slachtoffer] op de grond gebonkt en/of
- een ketting om de nek van die [slachtoffer] gedaan en/of (meermalen) aan die ketting getrokken en/of
- drie, althans een of meer, mes(sen) in de zij, althans het lichaam, van die [slachtoffer] gestoken en/of
- ( althans) een of meer handeling(en) van uitwendig mechanisch geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend,
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
subsidiair,
hij in of omstreeks de periode van 24 februari 2013 tot en met 25 februari 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk
- een kussensloop over het hoofd van die [slachtoffer] gedaan en/of die kussensloop dichtgetaped om het hoofd van die [slachtoffer] en/of
- die[slachtoffer] aan zijn enkels en/of ellebogen en/of handen getaped en/of
- ( meermalen) met het (dichtgetapede) hoofd van die [slachtoffer] op de grond gebonkt en/of
- een ketting om de nek van die [slachtoffer] gedaan en/of (meermalen) aan die ketting getrokken en/of
- drie, althans een of meer, mes(sen) in de zij, althans het lichaam, van die [slachtoffer] gestoken en/of
- ( althans) een of meer handeling(en) van uitwendig mechanisch geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend,
ten gevolge waarvan voornoemde[slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot oplichting in vereniging, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
meer subsidiair,
hij in of omstreeks de periode van 24 februari 2013 tot en met 25 februari 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk
- een kussensloop over het hoofd van die [slachtoffer] gedaan en/of die kussensloop dichtgetaped om het hoofd van die[slachtoffer] en/of
- die [slachtoffer] aan zijn enkels en/of ellebogen en/of handen getaped en/of
- ( meermalen) met het (dichtgetapede) hoofd van die [slachtoffer] op de grond gebonkt en/of
- een ketting om de nek van die [slachtoffer] gedaan en/of (meermalen) aan die ketting getrokken en/of
- drie, althans een of meer, mes(sen) in de zij, althans het lichaam, van die [slachtoffer] gestoken en/of
- ( althans) een of meer handeling(en) van uitwendig mechanisch geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend,
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
hij in of omstreeks de periode van 24 februari 2013 tot en met 25 februari 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door opzettelijk
- een kussensloop over het hoofd van die [slachtoffer] gedaan en/of die kussensloop dichtgetaped om het hoofd van die [slachtoffer] en/of
- die [slachtoffer] aan zijn enkels en/of ellebogen en/of handen getaped en/of
- ( meermalen) met het (dichtgetapede) hoofd van die [slachtoffer] op de grond gebonkt en/of
- een ketting om de nek van die [slachtoffer] gedaan en/of (meermalen) aan die ketting getrokken en/of
- drie, althans een of meer, mes(sen) in de zij, althans het lichaam, van die [slachtoffer] gestoken en/of
- ( althans) een of meer handeling(en) van uitwendig mechanisch geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend,
terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.