ECLI:NL:RBROT:2014:2159

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 maart 2014
Publicatiedatum
24 maart 2014
Zaaknummer
AWB-13_04877
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 11 WwbArt. 13, tweede lid, onder c WwbWet werk en bijstandWet op de studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking bijstand wegens onvoldoende actieve rol en onderzoek naar scholingsplicht

Eiser, een jongere met een psychiatrische aandoening en een licht verstandelijke beperking, ontving een bijstandsuitkering die door verweerder werd ingetrokken op grond van de scholingsplicht. Verweerder stelde dat eiser in staat was een opleiding te volgen met studiefinanciering en dat hij onvoldoende medewerking had verleend. Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn mogelijkheden en dat zijn psychosociale problemen niet adequaat waren meegewogen.

De rechtbank overwoog dat de actieve rol die het college bij een aanvraag van bijstand moet vervullen, bij een intrekking van bijstand, als een belastend besluit, des te pregnanter geldt. Verweerder had niet voldoende aangetoond dat eiser in staat was regulier onderwijs te volgen en had onvoldoende rekening gehouden met de psychosociale problematiek van eiser. Het enkele toezenden van brieven was onvoldoende om te concluderen dat eiser geen medewerking wilde verlenen.

Daarom oordeelde de rechtbank dat het bestreden besluit in strijd was met het motiveringsbeginsel en de vereiste actieve rol van het bestuursorgaan. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd en herroepen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 13/4877

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2014 in de zaak tussen

[eiser], te Barendrecht, eiser,

gemachtigde: mr. H. Martens,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht, verweerder,
gemachtigde: J.W. Wieringa.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) met ingang van 1 februari 2013 ingetrokken.
Bij besluit van 24 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn persoonlijk begeleider[begeleider]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. Bakkes.

Overwegingen

1.
Eiser, geboren op [geboortedatum], ontvangt sinds 6 december 2011 een Wwb-uitkering naar de norm voor een alleenstaande in een inrichting.
2.
Bij brief van 5 september 2012 heeft verweerder eiser geïnformeerd over een wijziging van de Wwb door invoering van de scholingsplicht. Verweerder heeft eiser verder meegedeeld voornemens te zijn eisers uitkering met ingang van 1 februari 2013 te beëindigen, alsmede dat eiser voor 1 december 2012 een bewijs van studiefinanciering of WTOS-toelage moet inleveren, dan wel stukken waaruit blijkt dat eiser valt onder de vrijstelling van de scholingsplicht.
3.
Op 24 september 2012 heeft eiser een gesprek gehad met een medewerker van verweerder in verband met de beoordeling van eisers re-integratiemogelijkheden.
Bij brief van 4 december 2012 heeft verweerder eiser nogmaals geïnformeerd over de wijziging van de Wwb en de consequenties die deze wijziging voor eiser heeft. Eiser heeft tot 15 december 2012 de tijd gekregen om de gevraagde stukken te overleggen.
4.
Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Wwb met ingang van 1 februari 2013 beëindigd onder de overwegingen dat eiser jonger is dan 27 jaar, waardoor de scholingsplicht voor hem van toepassing is, en verweerder van mening is dat eiser in staat is om een opleiding te volgen waarbij hij aanspraak kan maken op studiefinanciering.
5.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe is - samengevat - overwogen dat er een aantal mogelijke gronden bestaan welke kunnen leiden tot een ontheffing van de plicht tot het volgen van een opleiding. Gezien de tekst van artikel 13, tweede lid, onder c, van de Wwb is er geen limitatieve lijst met gronden aan te merken die aanleiding kunnen zijn tot het verlenen van een ontheffing en zal in iedere situatie dienen te worden bezien of het volgen van onderwijs redelijkerwijs mogelijk is. Op grond van de thans nog beperkte jurisprudentie over dit onderwerp dient het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat een belanghebbende in staat is via studiefinanciering bekostigd onderwijs te volgen. Verweerder heeft dat in voldoende mate gedaan. Door eiser is vooralsnog niet aangetoond dat hij geen opleiding zou kunnen volgen dan wel betaalde arbeid zou kunnen verrichten. Daarnaast is eiser tijdig op de hoogte gebracht van de wijziging, is er een onverplichte redelijke overgangstermijn in acht genomen en is eiser dus voldoende gelegenheid geboden om gemotiveerd aan te geven waarom niet van hem kan worden verwacht bekostigd onderwijs te volgen.
6.
Eiser stelt zich in beroep - samengevat - op het standpunt dat verweerder er mee bekend was dat hij psychische problemen heeft en dus niet had kunnen volstaan met het toezenden van brieven waarin eiser op zijn verplichtingen is gewezen. Verweerder is onvoldoende nagagaan of van eiser kan worden gevergd dat hij een opleiding kan volgen op MBO-2 niveau. Verweerder is zijn inspanningsverplichting niet dan wel onvoldoende nagekomen, aldus eiser, en had moeten onderzoeken of het volgen van een opleiding wel van eiser kan worden gevergd.
7.
Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wwb heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
In artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wwb is bepaald dat geen recht op algemene bijstand heeft degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:
1°. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000, dan wel
2°. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.
8.
Op 1 januari 2012 is in werking getreden de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Wijzigingswet Wet werk en bijstand, enz.). Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet kan worden afgeleid dat de wetgever een actieve rol heeft beoogd van zowel de colleges van burgemeester en wethouders als van de jonge bijstandsaanvragers. De jongere moet bij een aanvraag om bijstand aantonen geen betaald werk te kunnen krijgen en geen uit ’s Rijks kas bekostigde opleiding te kunnen volgen, met een verscherping per 1 juli 2012 op dat laatste punt door onder meer de inwerkingtreding van de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wwb. De jongere dient daartoe aantoonbare inspanningen te verrichten en het college wordt verplicht met de jongere het gesprek aan te gaan, afspraken te maken en de jongere te begeleiden en waar nodig te ondersteunen. Het college stelt vast of er voor de jongere binnen het regulier bekostigd onderwijs nog mogelijkheden bestaan die onvoldoende zijn benut en wijst de jongere daarop. IJkpunt kan daarbij volgens de wetgever zijn of de jongere een startkwalificatie (diploma op HAVO-, VWO- of MBO2-niveau) heeft. Daarbij is volgens de wetgever een goede samenwerking tussen de gemeentelijke diensten en onderwijsinstellingen op lokaal en regionaal niveau essentieel.
6.
De rechtbank merkt op dat bovengenoemde passage betrekking heeft op de situatie waarin een jongere bijstand aanvraagt. Het nu voorliggende geval betreft echter niet een aanvraag van bijstand, maar een intrekking daarvan. De actieve rol van verweerder die bij de aanvraag aan de orde is (het college dient blijkens de memorie van toelichting bij een aanvraag met de jongere het gesprek aan te gaan, afspraken te maken en de jongere te begeleiden en waar nodig te ondersteunen), zal bij de intrekking van bijstand, wat een belastend besluit is, des te pregnanter aan de orde zijn. Ter zitting heeft verweerder niet nader kunnen toelichten hoe ten aanzien van eiser aan deze actieve houding gestalte is gegeven.
7.
Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard onder overname van een advies van verweerders bezwaarschriftencommissie van 19 juni 2013. In dit advies is overwogen dat het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat een belanghebbende in staat is via studiefinanciering bekostigd onderwijs te volgen. In tegenstelling tot het advies is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder dit niet in voldoende mate heeft aangetoond. Uit de uitnodiging voor het gesprek op 24 september 2012 blijkt dat dit gesprek uitsluitend betrekking zou hebben op eisers re-integratie naar de arbeidsmarkt. Uit de rapportage voortgangsonderzoek van 25 september 2012 kan niet worden afgeleid dat tevens is gesproken over het volgen van regulier onderwijs. Nu verweerder er mee bekend was dat eiser een psychiatrische aandoening en een licht verstandelijke beperking heeft, dat hij in verband hiermee in een AWBZ-inrichting verblijft en onder meer problemen heeft om zijn eigen handelen te overzien, had naar het oordeel van de rechtbank het uitblijven van een reactie van eiser op verweerders brieven van 5 september en 4 december 2012 bij verweerder niet zonder meer tot de conclusie mogen leiden dat eiser geen medewerking wilde verlenen. Eiser heeft immers wel gereageerd op de uitnodiging voor een gesprek over zijn re-integratie naar de arbeidsmarkt.
8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de intrekking van bijstand niet voldaan aan de in de wet beoogde actieve rol, terwijl verweerder voorts onvoldoende heeft onderzocht of er voor eiser binnen het regulier bekostigd onderwijs mogelijkheden bestaan die door eiser onvoldoende zijn benut. In bezwaar heeft eiser naar voren gebracht dat hij geen onderwijs kan volgen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat verweerder onvoldoende waarde heeft gehecht aan het belastende karakter van het besluit tot intrekking van de uitkering. Het enkel sturen van brieven met daarin een niet-limitatieve opsomming van redenen die tot ontheffing van de scholingsplicht kunnen leiden, is niet genoeg. De rechtbank wijst er verder om dat de regering specifiek ten aanzien van jongeren die de eigen verantwoordelijkheid niet kunnen nemen, bijvoorbeeld vanwege psychosociale problemen, heeft overwogen dat het college bij een aanvraag bij de beoordeling van de vraag of de jongere zich in de periode van vier weken voldoende heeft ingespannen en hoe zijn houding en gedragingen waren, ook rekening zal houden met eventuele psychosociale problemen (nota naar aanleiding van het verslag, TK 2010–2011, 32 815, nr. 7, p. 16). Bij de intrekking van bijstand, een belastend besluit, geldt dit naar het oordeel van de rechtbank des te sterker (zie hetgeen overwogen is onder 6).
9.
Onder deze omstandigheden dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft, gezien de specifieke omstandigheden van dit geval (eisers psychiatrische aandoening en verstandelijke beperking) bij het besluit tot intrekking van eisers bijstand onvoldoende onderzoek verricht naar de vraag of eiser in staat is om een opleiding te volgen waarbij hij aanspraak kan maken op studiefinanciering. Verweerder heeft een onvoldoende actieve houding aangenomen. Het beroep van eiser is gegrond.
10.
De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen. Daartoe wordt overwogen dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet in staat is het onderzoekgebrek met terugwerkende kracht tot 1 februari 2013 te herstellen. Immers, het verrichten van onderzoek naar de vraag of eiser in staat is om een opleiding te volgen, het maken van afspraken en het begeleiden en waar nodig ondersteunen van eiser nadat is vastgesteld of eiser al dan niet in staat is om regulier onderwijs te volgen kan uitsluitend voor de toekomst plaatsvinden. Daaraan doet niet af dat verweerders bezwaarschriftencommissie in het advies van 19 juni 2013 ook heeft overwogen dat eiser geen betaalde arbeid zou kunnen verrichten. Niet duidelijk is waar deze conclusie op is gebaseerd.
11.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
12.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond,
  • vernietigt het bestreden besluit,
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat verweerders besluit van 23 januari 2013 wordt herroepen,
  • bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 44,00 vergoedt,
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,00, te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, rechter, in aanwezigheid van
J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2014.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.