ECLI:NL:RBROT:2014:1583

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2014
Publicatiedatum
4 maart 2014
Zaaknummer
C-10-423934 - HA ZA 13-486
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van behandelingskosten door Nederlandse arts aan weduwnaar van overleden patiënte

In deze zaak vordert een Nederlandse arts, gevestigd in Duitsland, betaling van behandelingskosten door de weduwnaar van een overleden patiënte. De patiënte, die leed aan een hersentumor, had zich tot de arts gewend voor behandeling nadat zij in Nederland was uitbehandeld. De arts had de weduwnaar aangesproken tot betaling van de kosten op basis van een overeenkomst die volgens de Rome I-verordening onder Duits recht valt. De weduwnaar heeft in reconventie de overeenkomst vernietigd wegens dwaling, omdat de arts de patiënte onjuist had voorgelicht over de behandeling en de kosten. De rechtbank heeft de vordering in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de arts niet tekort is geschoten in zijn verplichtingen en dat de weduwnaar onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn claims. De rechtbank heeft de weduwnaar veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/423934 / HA ZA 13-486
Vonnis van 26 maart 2014
in de zaak van
[eiser],
wonende te Keulen (Bondsrepubliek Duitsland),
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. A. van Driel,
tegen
[gedaagde],
wonende te Nieuw-Lekkerland,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A.F. Ammerlaan.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 16 oktober 2013
  • het proces-verbaal van comparitie van 11 februari 2014
  • de conclusie van antwoord in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een Nederlandse arts, die zich in Keulen heeft gevestigd.
2.2.
[gedaagde] is de weduwnaar van [overleden vrouw gedaagde]. Zij leed aan een hersentumor. Toen zij in Nederland was uitbehandeld, heeft zij zich tot [eiser] gewend.
2.3.
Op 21 september 2010 heeft [overleden vrouw gedaagde] – in aanwezigheid van haar zoon (hierna: de zoon) – in Keulen het eerste gesprek met [eiser] gehad. De zoon heeft toen namens [overleden vrouw gedaagde] een
“Patiënten-Formulier 2”(onderdeel van productie 1 bij dagvaarding) ondertekend waarin onder meer het volgende staat:
“(...) U heeft besloten zich eventueel te laten behandelen in het Medical Center Cologne (MCC). Hier volgen een paar belangrijke mededelingen, welke de basis vormen voor een overeenkomst voor een behandeling in het MCC.
1.
Wij moeten u erop wijzen, dat door te onderschrijven er tussen u en [eiser] (MCC) een overeenkomst volgens het privaatrecht bestaat. Dit houdt in, dat u persoonlijk voor de kosten, die door uw behandeling ontstaan, verantwoordelijk bent. De behandelingskosten worden volgens de voorschriften van de Duitse wet in de Duitse taal gedrukt en berekend (...). Het MCC zal, voor zover mogelijk, u ondersteunen de kosten van de behandeling door uw zorgverzekeraar vergoed te krijgen. Toch moet er hier uitdrukkelijk op gewezen worden, dat het MCC u niet de vergoeding van de behandelingskosten door uw zorgverzekeraar kan garanderen. (...).
2.
In principe kan het MCC niet het aanslaan van haar aangeboden behandelingen garanderen. Indien het MCC of uw behandelende arts u berichten over behandelingsresultaten, dan gaat het hier om resultaten in grotere groepen van patiënten, die over de afgelopen jaren geboekt werden. Dat wil echter niet zeggen, dat bij iedere patient afzonderlijk, deze resultaten gegarandeerd kunnen worden. Tijdens het eerst consult bent u ook daarop gewezen, dat alle behandelingen, die in het MCC worden uitgevoerd, naar de Duitse wet, “Heilversuchen” zijn. D.w.z. dat alles, wat een arts kan doen, wordt geprobeerd om uw leven te verlengen en uw levenskwaliteit te verbeteren.
Door deze overeenkomst te ondertekenen bevestig ik, dat ik op deze twee punten gewezen ben en dat ik deze overeenkomst als basis voor mijn behandeling in het MCC erken. (...).”
2.4.
Op of kort na 21 september 2010 heeft [overleden vrouw gedaagde] van [eiser] een (aan haar zorgverzekeraar te overhandigen) rapport ontvangen getiteld
“Gutachten wegen einer Therapie met dendritischen Zellen für Frau [x] [overleden vrouw gedaagde], geboren[geboortedatum]”(productie bij antwoord in conventie). Op pagina 50 van het Duitse gedeelte van het rapport staat onder meer het volgende:
“(...) Jede Aufbereitung der patienteneigenen dendritischen Zellen kostet€ 3.800. Für jede Applikation fügen wir eine Ampulle INF-y an den dendritischen Zellen zu und applizieren wir 3 Mio INF-alpha intrakutan als Alarmsignal etwa 3 cm von der Applikation der dendritischen Zellen entfernt. Hierfür müssen wir€ 215in Rechnung stellen. (...)
Ich möchte Sie deswegend dringend bitten, Frau [x] [overleden vrouw gedaagde] diese Therapie mit dendritischen Zellen nicht vorzuenthalten und die Therapiekosten zu übernehmen. Nicht nur in Deutschland erstatten zunehmend Krankenkassen jetzt die Behandlungskosten für die erste sechs Impfungen met dendritischen Zellen bei Krebspatienten; auch in den Niederlande gehen mehr und mehr Krankenkassen dazu über die Kosten für die Impfungen met dendritischen Zellen (teilweise) zu erstatten. Nach vier bis sechs Impfungen wird der Patient meistens evaluiert. Hat der Patient eine (partielle) Remission erfahren, dann werden auch weitere Impfungen bezahlt. (...).
2.5.
In het Nederlandse deel van het rapport staat onder meer het volgende:
“(...) Een locoregionale hyperthermiebehandeling, inclusief infusen en medicamenten kost tezamen ongeveer EUR 480,-. Er worden 24 behandelingen voorgesteld, die twee maal per week gegeven zullen worden. Daarom moeten wij de kosten voor 24 behandelingen op ongeveer EUR 11.000,- schatten. (...).”
2.6.
[eiser] heeft [overleden vrouw gedaagde] behandeld van eind september 2010 tot begin februari 2011.
2.7.
[eiser] heeft voor de behandeling aan [overleden vrouw gedaagde] diverse facturen gezonden. Enkele facturen zijn (gedeeltelijk) betaald, een groot aantal is niet betaald.
2.8.
Bij brief van 18 maart 2011 heeft Trias, de zorgverzekeraar van [overleden vrouw gedaagde], aan haar geschreven zij dat in haar verzekeringsvoorwaarden geen vergoeding heeft opgenomen voor de door [eiser] aan verleende zorg en dat zij [overleden vrouw gedaagde] niet tegemoet zal komen in de kosten (productie 3 bij antwoord in conventie).
2.9.
[overleden vrouw gedaagde] is op 26 april 2011 overleden.

3.De vordering in conventie

3.1.
[eiser] vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van:
  • de hoofdsom van € 27.213,28,
  • € 54,46 aan wettelijke rente tot aan de dag der dagvaarding en de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,
  • de buitengerechtelijke kosten ad € 2.721,33, en
  • de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt daaraan nakoming van de met [overleden vrouw gedaagde] gesloten behandelovereenkomst ten grondslag.

4.Het verweer in conventie

4.1.
De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] voert daartoe het volgende aan.
Betwist wordt dat een overeenkomst met [eiser] is gesloten. Er is een overeenkomst met MCC gesloten.
De overeenkomst is vernietigbaar wegens dwaling waardoor de rechtsgrond aan de vordering komt te ontvallen. [overleden vrouw gedaagde] heeft de overeenkomst gesloten onder een verkeerde voorstelling van zaken als gevolg van inlichtingen van [eiser]. Hij heeft meegedeeld, althans het vertrouwen gewekt dat zij van kanker zou genezen, hij heeft het vertrouwen gewekt dat de kosten van de behandeling door de zorgverzekeraar vergoed zouden worden en hij heeft gesproken over een behandeling van enkele duizenden euro’s. Dat bleek allemaal niet zo te zijn.
[eiser] is op de volgende punten toerekenbaar te kort geschoten in de nakoming van de overeenkomst:
  • [eiser] heeft het beginsel van informed consent (7:448 lid 2 BW) geschonden;
  • hij heeft gehandeld in strijd met 7:453 en 7:460 BW door de behandeling abrupt te staken en was niet bereid tot het treffen van een betalingsregeling;
  • er was geen dringende reden om de overeenkomst op te zeggen (7:460 BW);
  • [eiser] heeft niets gedaan om te zorgen voor een opvolgend hulpverlener;
  • [eiser] heeft [overleden vrouw gedaagde] bewogen direct met de behandeling te starten in plaats van eerst het oordeel van de zorgverzekeraar af te wachten;
  • [eiser] is in strijd met de uitdrukkelijke bepaling in de overeenkomst niet behulpzaam
geweest met het aanvragen van een vergoeding voor de behandeling bij de zorgverzekeraar.
De door dit alles veroorzaakte schade is gelijk aan de hoogte van de openstaande facturen. Er wordt een beroep gedaan op verrekening, waardoor de vordering van [eiser] teniet is gegaan.

5.De vordering in reconventie

5.1.
Voorwaardelijk (indien en voor zover wordt geoordeeld dat de behandelings-overeenkomst is gesloten tussen [overleden vrouw gedaagde] en [eiser]) vordert [gedaagde] dat de behandelingsovereenkomst tussen [overleden vrouw gedaagde] en [eiser] wordt vernietigd op grond van dwaling, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
5.2.
[gedaagde] verwijst ter onderbouwing naar het door hem in conventie gestelde.

6.Het verweer in reconventie

6.1.
De conclusie van [eiser] strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
6.2.
[eiser] voert daartoe het volgende aan.
De vordering tot vernietiging uit hoofde van dwaling op grond van het toepasselijke Duitse recht is verjaard. De dwaling wordt betwist. Betwist wordt dat [eiser] verkeerde inlichtingen heeft gegeven.

7.De beoordeling

in conventie en in reconventie
Bevoegdheid
7.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 2 van de EEX-Verordening is deze rechtbank – als gerecht van de woonplaats van [gedaagde] – bevoegd om van de vordering in conventie kennis te nemen. De rechtbank is eveneens bevoegd om van de vordering in reconventie kennis te nemen gelet op het bepaalde in artikel 6 sub 3 van de EEX-Verordening.
Toepasselijk recht
7.2.
Voor de vraag naar het op de overeenkomst toepasselijke recht is de Verordening (EG) Nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeen-komst (Rome I) bepalend, nu de overeenkomst is gesloten na 17 december 2009 (vgl. artikel 28 van de verordening). Op de overeenkomst is het Duitse recht van toepassing op de voet van artikel 6 lid 1 sub a van de verordening. De behandelingsovereenkomst moet worden gezien als een overeenkomst van dienstverlening die wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener ([eiser]) zijn gewone verblijfplaats heeft (Duitsland).
7.3.
Het toepasselijke Duitse recht beheerst onder meer de nakoming van de overeen-komst, de gevolgen van gehele of gedeeltelijke tekortkoming (daaronder begrepen de vaststelling van de schade voor zover hiervoor rechtsregels gelden, een en ander binnen de grenzen welke het procesrecht van de rechter aan diens bevoegdheid stelt), de verschillende wijzen waarop verbintenissen tenietgaan, alsmede de verjaring en het verval van rechten als gevolg van het verstrijken van een termijn en de gevolgen van de nietigheid van een over-eenkomst (vgl. artikel 12 lid 1 van de Rome I-Verordening). Verrekening wordt volgens artikel 17 van de verordening beheerst door het recht dat toepasselijk is op de vordering ten aanzien waarvan men zich op verrekening beroept. Dit betekent dat op de geschilpunten van partijen Duits recht van toepassing is.
7.4.
De verordening is in beginsel niet van toepassing op het bewijs en de rechts-pleging (vgl. artikel 1 lid 3). Dit betekent dat daarop het Nederlandse recht als het lex fori van toepassing is.
in conventie voorts
[eiser] (proces-)partij
7.5.
De stelling dat [eiser] (in privé) partij bij de behandelingsovereenkomst is, heeft hij ter zitting als volgt toegelicht: hij heeft een eenmanszaak, hij heeft acht artsen in dienst, hij sluit alle overeenkomsten met zijn patiënten in privé, hetgeen als voordeel heeft dat hij zijn patiënten geen BTW behoeft te berekenen, en MCC is zijn handelsnaam. [gedaagde] heeft die stelling betwist, echter die betwisting is onvoldoende gemotiveerd. Het is weliswaar juist dat er in de correspondentie, in overeenkomsten en op facturen (ook) de naam Medical Center Cologne staat; in die stukken is er echter geen enkele aanwijzing voor te vinden dat dat een rechtspersoon is. Het wordt er daarom voor gehouden dat partij bij de overeenkomst en dus procespartij is: [eiser], h.o.d.n. Medical Center Cologne.
[gedaagde] erfgenaam
7.6.
Volgens artikel 10:149 lid 1 BW wordt de vereffening van een nalatenschap door het Nederlandse recht beheerst indien de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in Nederland had en zijn in het bijzonder van toepassing de Nederlandse voorschriften inzake de gehoudenheid van de door het volgens het Haags Erfrechtverdrag 1989 toepasselijke recht aangewezen erfgenamen voor de schulden van de erflater. Nu [overleden vrouw gedaagde] haar laatste gewone verblijfplaats in Nederland had, is Nederlands recht van toepassing op de vereffening van haar nalatenschap en op de vraag wie als erfgenaam aansprakelijk is voor schulden van de nalatenschap. Als onbetwist staat vast dat [gedaagde] de erfgenaam van [overleden vrouw gedaagde] is. Op de voet van artikel 4:13 lid 2 BW komen de schulden van de nalatenschap voor zijn rekening.
voorts in conventie en in reconventie
7.7.
De rechtbank ziet aanleiding om vanwege hun verwevenheid de vorderingen in conventie en in reconventie verder gezamenlijk te behandelen.
Dwaling
7.8.
Nu de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld is vervuld (zie hetgeen hiervoor in 7.5 is overwogen), zal de reconventionele vordering tot vernietiging van de overeenkomst moet worden beoordeeld.
7.9.
[gedaagde] beroept zich op
“Erklärungsirrtum”als bedoeld in § 119 Bürgerliches Gesetzbuch (hierna: BGB), dat volgens hem is te vergelijken met het Nederlandse leerstuk van de dwaling. § 119 Absatz 1 bepaalt:
“Wer bei der Abgabe einer Willenserklärung über deren Inhalt im Irrtum war oder eine Erklärung dieses Inhalts überhaupt nicht abgeben wollte, kann die Erklärung anfechten, wenn anzunehmen ist, dass er sie bei Kenntnis der Sachlage und bei verständiger Würdigung des Falles nicht abgegeben haben würde.”
7.10.
Volgens de literatuur bij genoemde paragraaf gaat het om een vergissing: iemand verklaart niet dat wat hij verklaren wil bijvoorbeeld door een verspreking of een verschrijving. Dat is wat in Nederland oneigenljke dwaling zou worden genoemd. Dat is echter niet wat [gedaagde] bedoelt.
7.11.
Kennelijk doelt [gedaagde] op
“arglistige Täuschung”als bedoeld in
§ 123 BGB.
7.11.1.
Dat artikel bepaalt in Absatz 1, voor zover van belang, het volgende:
“Wer zur Abgabe einer Willenserklärung durch arglistige Täuschung bestimmt worden ist, kann die Erklärung anfechten.”Volgens de literatuur gaat het daarbij om het iemand bewegen tot een rechtshandeling hetzij door het bewust doen van verkeerde uitlatingen, hetzij door ware feiten te verzwijgen hoewel spreken plicht is.
7.11.2.
Van belang is dan verder § 142 BGB Absatz 1 dat bepaalt:
“Wird ein anfechtbares Rechtsgeschäft angefochten, so ist es als von Anfang an nichtig anzusehen.”
7.11.3. § 124
BGB Absatz 1 bepaalt:
“Die Anfechtung einer nach § 123 anfechtbaren Willenserklärung kann nur binnen Jahresfrist erfolgen.
7.11.4.
Absatz 2 van dat artikel bepaalt voor zover van belang:
“Die Frist beginnt im Falle der arglistigen Täuschung mit dem Zeitpunkt, in welchem der Anfechtungsberechtigte die Täuschung entdeckt.
7.12.
[eiser] doet een beroep op § 124 BGB en voert aan dat de vordering tot vernietiging is verjaard of vervallen omdat de vordering (eerst in deze procedure en dus) niet binnen een jaar na ontdekking van de onjuiste voorstelling van zaken (in ieder geval op 18 maart 2011, toen Trias het verzoek tot vergoeding afwees) is ingesteld. De rechtbank houdt het ervoor dat [overleden vrouw gedaagde] in ieder geval op 18 maart 2011 – toen reeds een langere behandeling (vanaf medio september 2010 tot medio februari 2011) had plaatsgevonden en Trias vergoeding van de daarmee gemoeide kosten afwees – moet hebben ontdekt dat de behandeling niet alleen was gericht op genezing en dat de zorgverzekeraar de kosten van de behandeling niet dekte. Door in de op 18 september 2013 genomen conclusie een beroep te doen op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling, heeft [gedaagde] dat te laat gedaan, waardoor die vordering is verjaard, althans vervallen.
7.13.
Zou de vordering tot vernietiging wegens dwaling nog bestaan, dan zou die vordering als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. Mede gelet op hetgeen over het doel van de behandeling en de eventuele vergoeding van de behandelingskosten door de zorgverzekeraar in het namens [overleden vrouw gedaagde] ondertekende patiëntenformulier (zie 2.3) staat, het rapport dat zij van [eiser] heeft ontvangen (zie 2.4 en 2.5) en de verklaring namens [gedaagde] ter zitting dat [eiser] heeft gezegd dat bepaalde Nederlandse zorgverzekeraaars de behandeling hadden vergoed zonder daarbij Trias met name te noemen, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat [eiser] een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven en dat hij dat opzettelijk heeft gedaan.
7.14.
De reconventionele vordering tot vernietiging zal daarom worden afgewezen met veroordeling van [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.
Toerekenbare tekortkomingen
7.15.
Het verweer dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft [gedaagde] onvoldoende feitelijk onderbouwd, althans [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd wat de daardoor veroorzaakte schade is. Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat daarbij het Nederlandse procesrecht bepalend is, terwijl de tekortkomingen naar Duits recht zouden moeten worden beoordeeld.
7.15.1.
Dat [eiser] het beginsel van informed consent heeft geschonden en dat hij [overleden vrouw gedaagde] heeft bewogen direct met de behandeling te starten in plaats van eerst het oordeel van de zorgverzekeraar af te wachten, is onvoldoende onderbouwd gelet op hetgeen hiervoor in 7.13 is overwogen.
7.15.2.
[gedaagde] heeft niet gesteld wat [eiser] nog meer of anders had moeten doen dan het aan [overleden vrouw gedaagde] meegeven van het rapport (zie 2.4 en 2.5) – waarvan als onbetwist vast staat dat dit (ook) was bedoeld om de zorgverzekeraar te bewegen tot het vergoeden van de kosten van de behandeling. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] is gevraagd om zijn verdere hulp hierbij, terwijl hij daartoe kennelijk wel bereid zou zijn geweest gelet op zijn verklaring ter zitting. Daarom kan niet worden geoordeeld dat [eiser] in strijd met de uitdrukkelijke bepaling in de overeenkomst niet behulpzaam is geweest met het aanvragen van een vergoeding voor de behandeling bij de zorgverzekeraar.
7.15.3.
Ten aanzien van de verwijten dat [eiser] ten onrechte de behandeling abrupt heeft gestaakt en niet bereid was tot het treffen van een betalingsregeling en dat [eiser] niets heeft gedaan om te zorgen voor een opvolgend hulpverlener, heeft [gedaagde] niet, althans onvoldoende gesteld wat de daaruit voortvloeiende financiële schade is geweest.
7.16.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [gedaagde] op verrekening wordt verworpen.
Rente en kosten
7.17.
Slotsom is dat de in conventie gevorderde hoofdsom voor toewijzing gereed ligt, evenals de niet afzonderlijk betwiste wettelijke rente naar Duits recht, welke laatste is gespecificeerd in de als productie 5 bij dagvaarding overlegde “Berekening wettelijke rente naar Duits recht”.
7.18.
De buitengerechtelijke kosten zijn betwist. Die kosten zullen als onvoldoende (juridisch) onderbouwd worden afgewezen.
7.19.
[gedaagde] zal zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarover anders te oordelen. [gedaagde] voert aan dat [eiser] voorafgaand aan deze procedure bekend was met zijn verweren en dat hij die verweren ten onrechte niet in de dagvaarding had opgenomen. Dat er meer of andere gesprekken over betaling van de facturen van [eiser] zijn geweest dan het gesprek dat op 29 januari 2011 tussen [eiser] en de zoon van [overleden vrouw gedaagde] en [gedaagde] heeft plaatsgevonden, is echter niet gebleken.
7.20.
De kosten aan de zijde van de [eiser] in conventie worden begroot op:
- dagvaarding €  92,82
- griffierecht € 842,00
- salaris advocaat
€ 1.158,00(2,0 punten × tarief VI € 579,00)
Totaal €  2.092,82
7.21.
De kosten van [eiser] in reconventie worden begroot op:
- salaris advocaat € 452,00 (2,0 punten × tarief II € 452,00 x ½ )

8.De beslissing

De rechtbank
in conventie
8.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van het bedrag van
€ 27.213,28, te vermeerderen met € 54,46 aan wettelijke rente tot 22 april 2013 dagvaarding en de wettelijke rente naar Duits recht over de hoofdsom vanaf 22 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening,
8.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.092,82;
8.3.
verklaart beide veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
8.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
8.5.
wijst het gevorderde af;
8.6.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 452,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bouter en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2014. [1]

Voetnoten

1.type: 420