ECLI:NL:RBROT:2014:10796
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters rechtbank Rotterdam wegens vermeende vooringenomenheid
De verdachte verzocht om wraking van de rechters van de rechtbank Rotterdam die betrokken waren bij zijn strafzaak, omdat hij meende dat zij onpartijdigheid hadden geschonden. Hij baseerde dit op het feit dat zijn verzoek tot het horen van twee verbalisanten was afgewezen en dat zijn voorlopige hechtenis niet werd geschorst, terwijl die van medeverdachten wel werd geschorst.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat een onwelgevallige procesbeslissing op zichzelf geen grond voor wraking vormt. De afwijzing van het verzoek tot het horen van verbalisanten werd gezien als een normale procesbeslissing die de voortgang van de procedure dient te waarborgen.
Ook de beslissing om de voorlopige hechtenis van de verdachte niet te schorsen, ondanks schorsing van medeverdachten, leidde niet tot een gegronde vrees voor partijdigheid. Er was geen bewijs dat de rechters zich al een oordeel hadden gevormd over de feiten of rechtsvragen die bij de eindbeslissing aan de orde zouden komen.
De wrakingskamer concludeerde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor vooringenomenheid en wees het wrakingsverzoek daarom af. De beslissing werd uitgesproken door de voorzitter en twee rechters van de wrakingskamer op 29 december 2014.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.