ECLI:NL:RBROT:2013:BZ8887
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken bevoegdheidsgrondslag verblijfsontzegging Dordrecht
Verdachte werd ten laste gelegd dat hij opzettelijk niet had voldaan aan een bevel of vordering krachtens artikel 2:75A van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Dordrecht, waarbij hem een verblijfsontzegging was opgelegd.
De politierechter oordeelde dat artikel 2:75A APV Dordrecht een verbodsbepaling is en geen uitdrukkelijke bevoegdheidsgrondslag bevat voor het opleggen van een bevel of vordering door de burgemeester. Bovendien was het besluit om het gebied aan te wijzen genomen door het college van burgemeester en wethouders, terwijl volgens de Gemeentewet de burgemeester exclusief bevoegd is tot feitelijke handhaving van de openbare orde. Hierdoor was de APV-bepaling onverbindend.
Ook was de mandaatregeling gebrekkig, aangezien het wijkteamlid niet bevoegd was tot het opleggen van het besluit, maar slechts tot het uitreiken daarvan. De politierechter concludeerde dat verdachte zich niet schuldig had gemaakt aan het negeren van een wettelijk voorschrift gedaan bevel of vordering en sprak hem vrij.
De zaak werd behandeld in verstek, waarbij de officier van justitie een gevangenisstraf van twee weken vorderde, maar de rechter dit niet volgde. Het vonnis bevestigt het belang van een duidelijke en verbindende wettelijke grondslag voor het opleggen van verblijfsontzeggingen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens het ontbreken van een verbindend wettelijk bevel of vordering tot verblijfsontzegging.