ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6106

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
421259 / HA RK 13-212
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens ontbreken aanwijzingen voor vooringenomenheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. A.J. Japenga, kantonrechter bij de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht. Verzoeker stelde dat de rechter de zaak niet objectief zou behandelen doordat hij de wederpartij in reconventie toestond een conclusie van dupliek in reconventie in te dienen, waardoor verzoeker niet het laatste woord zou hebben.

De rechtbank heeft het dossier bestudeerd en het wrakingsverzoek behandeld tijdens een zitting waarbij verzoeker aanwezig was, maar de rechter niet. De rechtbank oordeelde dat de gang van zaken in de procedure in overeenstemming is met het beginsel van hoor en wederhoor zoals neergelegd in artikel 19 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De rechtbank benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden of zwaarwegende aanwijzingen zijn die het vermoeden van onpartijdigheid kunnen doorbreken. Het feit dat de wederpartij in reconventie een conclusie van dupliek mocht indienen, leidt niet tot een vermoeden van vooringenomenheid.

Daarom wees de rechtbank het wrakingsverzoek af en bevestigde de onpartijdigheid van de rechter in deze zaak. De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer voor wrakingszaken en uitgesproken op 2 april 2013.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens ontbreken van aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Meervoudige kamer voor wrakingszaken
Uitspraak: 2 april 2013
Zaaknummer: 10/421259
Rekestnummer: HA RK 13-212 Rotterdam
Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:
[naam verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
strekkende tot wraking van mr. A.J. Japenga, kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht (hierna: de rechter).
1. Het procesverloop en de processtukken
Door de rechter wordt behandeld de door [naam] B.V. (nader te noemen: [X]) tegen verzoeker ingestelde civielrechtelijke vordering met zaaknummer 1364213 \ CV EXPL 12-35633.
Bij op 20 maart 2013 ter griffie ontvangen brief heeft verzoeker de rechter gewraakt.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het dossier van voornoemde zaak.
Verzoeker, alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.
De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.
Ter zitting van 26 maart 2013, alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, is verzoeker verschenen. De rechter is na bericht van verhindering niet verschenen. Verzoeker heeft aan de hand van een pleitnota zijn standpunt nader toegelicht. Van het overigens ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.
2. Het verzoek en het verweer daartegen
2.1
Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :
Verzoeker verdenkt de rechter ervan de zaak niet objectief te behandelen. Hoewel verzoeker het laatste woord zou moeten hebben, heeft de rechter [X] namelijk in de gelegenheid gesteld met een conclusie van dupliek in reconventie te reageren op de conclusie van dupliek van verzoeker, waarna de rechter heeft bepaald dat vonnis zal worden gewezen op 29 maart 2013.
2.2
De rechter heeft niet in de wraking berust.
De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren en voert hier - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende voor aan:
Volgens artikel 19 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient de rechter partijen over en weer in de gelegenheid te stellen hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten (het beginsel van hoor en wederhoor). Verzoeker heeft bij conclusie van antwoord een eis in reconventie ingediend. Hierop heeft [X] een (conclusie van repliek in conventie en een) conclusie van antwoord in reconventie ingediend. Vervolgens is door verzoeker een conclusie van dupliek ingediend, waarin hij ook heeft gereageerd op de conclusie van repliek in reconventie van [X] (rechtbank: de rechter bedoelt hier kennelijk de conclusie van antwoord in reconventie). [X] heeft daarop met een conclusie van dupliek in reconventie mogen reageren. De hiervoor omschreven gang van zaken is in overeenstemming met het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het is de rechter niet duidelijk waarom dit ertoe zou kunnen leiden dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. De rechter refereert zich aan het oordeel van de wrakingskamer.
3. De beoordeling
3.1
Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.2
Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.
3.3
Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing als vorenbedoeld opleveren. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende.
3.3.1
Aan zijn onder 2.1 genoemde stellingen verbindt verzoeker, naar de rechtbank begrijpt, de conclusie dat de rechter gebrek aan onpartijdigheid valt te verwijten. Echter betreft het hier een procedure waar een vordering in conventie (van [X]) en een vordering in reconventie (van verzoeker) is ingesteld. Ten aanzien van de vordering in reconventie, te weten de vordering van verzoeker, geldt dat de oorspronkelijke eiser ([X]), die thans gedaagde in reconventie is, daar het laatste woord heeft. De gedaagde in reconventie ([X]) is in de door haar genomen conclusie van dupliek in reconventie dan ook (voornamelijk) ingegaan op de vordering in reconventie van verzoeker. Uit het feit dat de rechter [X] heeft toegelaten tot het nemen van bedoelde conclusie kan geen vermoeden van vooringenomenheid worden afgeleid.
3.4
Het vorenstaande brengt met zich dat de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond opleveren voor wraking. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.
4. De beslissing
wijst af het verzoek tot wraking van mr. A.J. Japenga.
Deze beslissing is gegeven op 2 april 2013 door mr. P.H. Veling, voorzitter, mr. O.E.M. Leinarts en mr. P. Vrolijk, rechters.
Deze beslissing is door de jongste rechter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. E.M. Beumer, griffier.
Om reden van afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de jongste rechter en de griffier ondertekend.