ECLI:NL:RBROT:2013:BZ3226
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens overtreding rookverbod in horecagelegenheid bevestigd ondanks beroep op gelijkheidsbeginsel
Eiser, exploitant van een horecagelegenheid zonder personeel, werd beboet wegens overtreding van het rookverbod zoals vastgelegd in artikel 11a van de Tabakswet. Tijdens een inspectie op 24 mei 2011 werd vastgesteld dat er in zijn café werd gerookt, ondanks de aanwezigheid van rookverbodstickers. Eiser betwistte de bevindingen, maar de rechtbank achtte het proces-verbaal van de NVWA controleur betrouwbaar en voldoende bewijs.
Eiser voerde aan dat hij als zelfstandige zonder personeel niet verantwoordelijk kon worden gehouden en dat hij maatregelen had getroffen, waaronder het aanwijzen van rookruimtes. De rechtbank oordeelde dat de verplichtingen uit de Tabakswet resultaatsverplichtingen zijn en dat eiser deze niet nakwam. Tevens stelde eiser dat de minister het gelijkheidsbeginsel schond door hem vaker te controleren dan andere cafés, wat zou leiden tot willekeur en concurrentievervalsing.
De rechtbank vond echter dat de minister voldoende had gemotiveerd dat controles steekproefsgewijs plaatsvonden en dat hercontroles bij eerder overtreders gerechtvaardigd zijn. De boete werd terecht opgelegd volgens het tarief voor een vierde overtreding binnen vijf jaar. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand en wees het beroep op matiging van de boete af. De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €2.400 wordt gehandhaafd ondanks gegrondverklaring van het beroep wegens motiveringsgebrek.