ECLI:NL:RBROT:2013:9103
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring bezwaar tegen DNA-afname wegens disproportionele inbreuk op privacy minderjarige veroordeelde
De veroordeelde, op 15-jarige leeftijd veroordeeld voor diefstal met geweld, maakte bezwaar tegen de afname en verwerking van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Hij voerde aan dat het delict een eenmalig incident was, gepleegd in een moeilijke levensfase met familieproblemen en een licht verstandelijke beperking, waardoor het bepalen en verwerken van zijn DNA disproportioneel zou zijn.
De officier van justitie stelde het bezwaar ongegrond en verplichtte de afname van celmateriaal. De rechtbank oordeelde dat de Wet in principe afname voorschrijft, tenzij uitzonderingen gelden, zoals wanneer DNA-onderzoek niet van betekenis is voor opsporing of wanneer het disproportioneel is gelet op bijzondere omstandigheden.
Gezien de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het delict, de beperkte ernst van het feit, het ontbreken van recidive en de persoonlijke omstandigheden achtte de rechtbank het recidiverisico zeer klein. De rechtbank vond dat de langdurige inbreuk op de lichamelijke integriteit door DNA-afname en verwerking disproportioneel was in het licht van artikel 8 EVRM Pro.
Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar gegrond en beval de officier van justitie het afgenomen celmateriaal terstond te vernietigen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-afname wordt gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal wordt vernietigd.