De zaak betreft een verzetprocedure tegen een verstekvonnis van 13 december 2006, waarbij eiser was veroordeeld tot betaling van een bankgarantie van €4.200,18 plus rente en proceskosten. Eiser kwam in verzet en stelde dat hij niet tijdig op de hoogte was gesteld van het verstekvonnis, dat de dagvaarding nietig was wegens onjuiste betekening, en dat de vordering was verjaard.
De rechtbank oordeelde dat het verzet tijdig was ingesteld omdat eiser geen daad van bekendheid met het vonnis had verricht binnen de wettelijke termijn. De dagvaarding was niet nietig, ondanks een onjuist adres, omdat dit eiser niet onredelijk had geschaad. De rechtbank stelde vast dat partijen een afspraak hadden gemaakt waarbij eiser de huurbetalingen zou verzorgen, maar dat hij deze verplichting niet was nagekomen.
Eiser verscheen niet ter comparitie, waardoor de rechtbank de stellingen van gedaagde als voldoende betwistingsvrij aannam. Het beroep op verjaring faalde omdat eiser onvoldoende had onderbouwd dat hij vijf jaar niets van de vordering had vernomen. De rechtbank bekrachtigde het verstekvonnis en veroordeelde eiser in de proceskosten van de verzetprocedure.