ECLI:NL:RBROT:2013:4916

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2013
Publicatiedatum
4 juli 2013
Zaaknummer
427457 / HA RK 13-593
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter in vreemdelingenbewaringprocedure

Verzoeker, gedetineerd in Rotterdam, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die zijn vervolgberoep tegen voortduren van vreemdelingenbewaring behandelde. Verzoeker vermoedde manipulatie met de datum van een uitspraak en vreesde daardoor partijdigheid van de rechter.

De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld aan de hand van het proces-verbaal en de zitting van 19 juni 2013, waarbij ook de schriftelijke reactie van de rechter werd betrokken. De rechter ontkende manipulatie en gaf aan zich nog te beraden over inzage in het elektronisch dossier.

De kamer oordeelde dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die een vermoeden van vooringenomenheid rechtvaardigen. Het verzoek ontbeerde feitelijke grondslag en werd afgewezen. De beslissing werd uitgesproken door een meervoudige kamer van drie rechters.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan feitelijke grondslag en onvoldoende aanwijzingen voor onpartijdigheid.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken
Zaaknummer: 10/427457
rekestnummer: HA RK 13-593
Beslissing van 19 juni 2013
op het verzoek van
[verzoeker],
thans gedetineerd in Detentiecentrum te Rotterdam,
verzoeker,
gemachtigde mr. W.P.R. Peeters,
strekkende tot wraking van
mr. A. van ’t Laar, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiekrecht, team bestuur 3 (hierna: de rechter).

1.Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 12 juni 2013 heeft de rechter het namens verzoeker ingestelde vervolgberoep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring behandeld. Die procedure draagt zaaknummer AWB 13/13586.
Bij gelegenheid van die behandeling heeft de gemachtigde van verzoeker de rechter gewraakt.
De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:
  • het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting;
  • het proces-verbaal van de uitsprakenzitting van 15 mei 2013;
  • vier screenprints van een Word-document;
  • het dossier van de bodemprocedure met zaaknummer AWB 13/13586;
  • stukken van de procedure met zaaknummer AWB 13/10613;
  • stukken van de procedure met zaaknummer AWB 13/11114;
  • de schriftelijke reactie van de rechter.
De gemachtigde van de verzoeker, de gemachtigde van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.
De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.
Ter zitting van 19 juni 2013, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen de gemachtigde van verzoeker, mr. W.P.R. Peeters, en de rechter. De gemachtigde heeft zijn standpunt ter zitting mondeling toegelicht. De rechter heeft hierop een reactie gegeven.

2.Het verzoek en het verweer daartegen

2.1
Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :
Op 24 mei 2013 heeft verzoeker door tussenkomst van zijn gemachtigde een beroepschrift ingediend tegen de maatregel ex artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Bij brief van
30 mei 2013 heeft de gemachtigde van verzoeker de gronden van dat beroep aangevuld. Daarbij is ondermeer aangevoerd dat de voortdurende vreemdelingenbewaring van verzoeker onrechtmatig is, omdat op het beroep van verzoeker van 18 april 2013 tegen het voortduren van de vrijheidsbeneming door deze rechtbank nimmer uitspraak is gedaan. Ter zitting van 12 juni 2013 heeft verzoeker erop gewezen dat op 7 juni 2013 alsnog een uitspraak in die zaak, gedateerd 15 mei 2013, is verzonden.
Verzoeker heeft het sterke vermoeden dat door de rechtbank is gerommeld met data en dat de uitspraak op het beroep van 18 april 2013 pas is gedaan nadat het beroep van 24 mei 2013 was ingediend en in de aanvullende beroepsgronden van 30 mei 2013 was aangevoerd dat op dat beroep geen uitspraak was gedaan. Daarop heeft verzoeker de rechter verzocht het onderzoek te schorsen en hem volledige inzage te geven in het elektronisch dossier van de rechtbank. Nu de rechter daarop te kennen heeft gegeven dat de rechtbank niet manipuleert omdat rechters dat uit hoofde van hun functie nu eenmaal niet doen, en heeft geweigerd verzoeker inzage in het elektronisch dossier te verlenen, is de gerechtvaardigde vrees ontstaan dat de rechter niet onpartijdig is, omdat hij daarmee de verweerder in deze beroepsprocedure favoriseert.
2.2
De rechter heeft niet in de wraking berust.
De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. De rechter heeft daarbij - kort weergegeven - aangevoerd dat niet valt in te zien dat in dit geval de zitting had moeten worden geschorst en de gevraagde informatie had moeten worden overgelegd alvorens het beroep inhoudelijk verder te behandelen.

3.De beoordeling

3.1
Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.2
Uit het proces-verbaal van de zitting van 12 juni 2013 en het verhandelde ter zitting van de wrakingskamer blijkt dat de rechter op het verzoek tot inzage in het elektronisch dossier van de rechtbank heeft geantwoord dat de rechtbank niet manipuleert met de datum van uitspraken, maar ook dat de rechter vervolgens te kennen heeft gegeven dat hij zich daarover zich zal beraden in de uitspraak.
3.3
Met het voorgaande is gegeven dat de rechter zich niet definitief heeft uitgelaten over het verzoek tot inzage in de computerbestanden van de rechtbank. Het verzoek ontbeert dan ook feitelijke grondslag.
De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4.De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van mr. A. van ’t Laar.
Deze beslissing is gegeven op 19 juni 2013 door mr. A.J.P. van Essen voorzitter,
mr. M.G.L. de Vette en mr. J.H. Janssen, rechters.
Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier.
Verzonden op:
aan:
  • mr. W.P.R. Peeters
  • mr. A. van ’t Laar
  • IND, afdeling proces-vertegenwoordiging