De rechtbank Rotterdam behandelde een civiele zaak waarin eisers, een zus en haar echtgenoot, vorderden dat de broer een bedrag van € 56.652,62 plus rente en buitengerechtelijke kosten aan hen zou betalen. De vordering betrof renteloze geldleningen verstrekt in de jaren '90 voor onbepaalde tijd, waarbij terugbetaling afhankelijk was van de financiële situatie van de broer.
De gedaagde broer betwistte de vorderingen en voerde verjaring aan. De rechtbank oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf en twintig jaar pas begint te lopen vanaf het moment dat de vordering opeisbaar is, namelijk wanneer de schuldenaar daadwerkelijk geld heeft om terug te betalen. Omdat dit moment niet vaststaat, kon niet worden aangenomen dat de vorderingen verjaard waren.
De rechtbank wees een deel van de vorderingen af wegens onvoldoende bewijs, maar kende het merendeel toe, waaronder diverse bedragen die de eisers hadden voorgeschoten voor belastingschulden, advocaatkosten, boetes en motorrijtuigenbelasting. De wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten werden eveneens toegewezen. De vordering werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten.