ECLI:NL:RBROT:2012:CA2538
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter en omgangsregeling bij verblijf kinderen in Kroatië
De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin de man vervangende toestemming vroeg voor erkenning van zijn minderjarige kind en een omgangsregeling met zijn kinderen. De kinderen verblijven feitelijk in Kroatië met de moeder, maar zijn nog ingeschreven in de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie. De vrouw betwistte de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en stelde dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Kroatië ligt.
De rechtbank oordeelde dat de gewone verblijfplaats van de kinderen feitelijk in Nederland ligt, mede vanwege de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, het ontbreken van bewijs van inschrijving in Kroatië en het feit dat de moeder zonder toestemming naar Kroatië vertrok. Op grond hiervan is de Nederlandse rechter bevoegd volgens Brussel II-bis.
De rechtbank verleende de man vervangende toestemming voor erkenning van het jongste kind, omdat de beschuldigingen van seksueel misbruik niet aannemelijk waren gemaakt. De omgangsregeling werd beperkt vanwege de praktische bezwaren van het verblijf in Kroatië, waarbij omgang met de kinderen werd toegestaan tijdens de helft van de feestdagen, twee weken in de zomer en een week rond Kerstmis. Daarnaast werd bepaald dat de vrouw de man op de hoogte houdt van relevante informatie over de kinderen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd, verleent vervangende toestemming voor erkenning en stelt een aangepaste omgangsregeling vast.