ECLI:NL:RBROT:2012:BY7586
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing Italiaans recht op aannemingsovereenkomst en bewijslastverdeling bij tekortkoming
In deze zaak stond de toepasselijkheid van Italiaans recht op een tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst centraal, waarbij de bewijslastverdeling bij vermeende tekortkomingen werd besproken. De rechtbank stelde vast dat het Italiaanse recht afwijkt van het Nederlandse recht door de schuldeiser slechts te verplichten de contractuele basis te bewijzen, waarna de schuldenaar moet aantonen dat hij zijn verplichtingen is nagekomen.
De rechtbank oordeelde dat de door gedaagde verzonden sommatiebrief niet voldeed aan de Italiaanse eisen omdat geen schriftelijke volmacht was gehecht en eiser niet op de hoogte was gesteld. Hierdoor was de buitengerechtelijke ontbinding niet rechtsgeldig aangekondigd. Wel was de ontbinding mogelijk rechtsgeldig als eiser deze destijds heeft aanvaard, wat de rechtbank aannam gezien zijn gedrag.
Verder werd vastgesteld dat Rederij niet gehouden was tot een algemene coördinatieplicht buiten Italië en dat eiser zijn opschorting niet kon baseren op een tekortkoming daaraan. De bewijslevering over de beschikbaarstelling van voldoende vrije ruimtes en meldingen van hinder werd aan partijen toegelaten, waarbij getuigen gehoord zullen worden. De zaak blijft derhalve open voor nadere bewijslevering en beoordeling.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat Italiaans recht geldt en dat de bewijslast bij tekortkoming bij de schuldenaar ligt; de buitengerechtelijke ontbinding was niet rechtsgeldig aangekondigd, maar eiser heeft deze mogelijk aanvaard.