ECLI:NL:RBROT:2012:BY4300
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen kleindochter en grootmoeder voor voortzetting huurwoning
De zaak betreft een geschil over de voortzetting van een huurovereenkomst na het overlijden van de huurder, mevrouw A, waarbij haar kleindochter de huur wilde voortzetten op grond van artikel 7:268 BW Pro.
De kleindochter was in juni 2010 bij haar grootmoeder ingetrokken om haar te verzorgen vanwege haar zorgbehoevendheid en had zich ingeschreven op het adres. Na het overlijden van mevrouw A in november 2011 verzocht de kleindochter de verhuurder de huurovereenkomst op haar naam voort te zetten, wat werd afgewezen.
De rechtbank onderzocht of er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, een vereiste voor voortzetting van de huur. Hoewel er een gemeenschappelijke huishouding was, oordeelde de rechtbank dat deze niet duurzaam was vanwege de tijdelijke aard van de samenwoning, gericht op verzorging tot aan het overlijden.
Daarom werd de vordering van de kleindochter afgewezen en werd zij veroordeeld om de woning binnen een maand te ontruimen. Tevens werd zij veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen en ontruiming van de woning binnen één maand bevolen.