ECLI:NL:RBROT:2012:BX4603
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-overdraagbaarheid van vorderingen uit hoofde van geldlening afgewezen in kredietgeschil
In deze gecombineerde zaken vordert de Rabobank betaling van twee geldleningen verstrekt aan verschillende vennootschappen binnen een concern. De Rabobank stelt dat zij als pandhouder gerechtigd is tot incasso van de vorderingen op de kredietnemers en hun gelieerde vennootschappen. De gedaagden betwisten de aard van de vorderingen, de overdraagbaarheid ervan en voeren diverse verweren aan, waaronder onjuiste financiering en verrekening.
De rechtbank stelt vast dat de Rabobank een rekening-courantkrediet heeft verstrekt dat niet betwist wordt, en dat de vorderingen niet zijn uitgesloten van overdracht of verpanding. De rechtbank wijst het verweer af dat de vorderingen niet overdraagbaar zouden zijn, omdat noch de wet, noch de aard van het recht, noch een overeenkomst dit verbiedt. Ook het beroep op verrekening wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.
Ten aanzien van de lening die niet daadwerkelijk is uitbetaald, oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een directe betalingsverplichting die overdraagbaar is. De faillissementen van de kredietnemers doen niet af aan de overdraagbaarheid. De rechtbank laat de gedaagde A toe tot het leveren van tegenbewijs omtrent de aard van de betaling en houdt overige beslissingen aan om gelijktijdig hoger beroep mogelijk te maken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de Rabobank toe en laat gedaagde A toe tot het leveren van tegenbewijs.