ECLI:NL:RBROT:2012:BX3759
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en schending administratieplicht in faillissement
De curator van de gefailleerde besloten vennootschap [eiser] vordert dat de bestuurders [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur, dat een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De kern van het geschil betreft of [gedaagde 2] als middellijk bestuurder van [eiser] kan worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 2] inderdaad middellijk bestuurder is via [gedaagde 1].
De curator stelt dat de bestuurders hun verplichtingen uit de artikelen 2:10 en 2:394 BW niet zijn nagekomen, met name door het niet tijdig publiceren van jaarrekeningen en het ontbreken van een volledige en inzichtelijke administratie. De rechtbank stelt vast dat jaarrekeningen over 2002 en 2004 te laat zijn gedeponeerd en die over 2005 en 2006 niet zijn gepubliceerd. Dit vormt een kennelijke onbehoorlijke taakvervulling binnen de relevante driejaarstermijn voorafgaand aan het faillissement.
Daarnaast ontbreekt de administratie over de periode 1 juli 2006 tot het faillissementsdatum 9 januari 2007, waardoor geen snel inzicht kon worden verkregen in de financiële positie. Pogingen van [gedaagde 2] om zich te disculperen slagen niet, mede omdat hij geen maatregelen heeft getroffen om de administratie alsnog op orde te brengen. De rechtbank acht het onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement en veroordeelt de bestuurders hoofdelijk tot betaling van het tekort in het faillissement, inclusief proceskosten en beslagkosten.
Uitkomst: De bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en schending van administratie- en publicatieplicht.