ECLI:NL:RBROT:2012:BW6459
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beleggingsonderneming betwist heffing DNB wegens vermeende disproportionaliteit en willekeur
De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van Robein tegen een door De Nederlandsche Bank (DNB) opgelegde heffing van €69.738 voor financieel toezicht over 2010. Robein voerde aan dat de heffing disproportioneel hoog was ten opzichte van het voorgaande jaar toen zij nog als bank opereerde, terwijl het toezicht juist was afgenomen. Tevens wees zij op verschillen met de heffing voor een levensverzekeraar en stelde dat de regelgeving mogelijk in strijd was met het verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat het lagere tarief in het voorgaande jaar niet maatgevend is, omdat Robein toen een kleinere bank was en in 2010 als relatief grote beleggingsonderneming werd aangemerkt. De heffingen kunnen algemene kosten bevatten die niet direct aan individuele instellingen zijn toe te rekenen. De vergelijking met de levensverzekeraar was daarom niet relevant. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen rechtens te honoreren verwachting bestond dat DNB zou afwijken van de regelgeving.
De rechtbank concludeerde dat de heffing rechtmatig was en dat Robein de risico's en kosten van haar activiteiten onder het overgangsregime van de Wft zelf had moeten afwegen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van Robein tegen de door DNB opgelegde heffing wordt ongegrond verklaard.