ECLI:NL:RBROT:2012:BV2695
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van proceskostenveroordeling in Spaanse procedures en toepassing Spaans recht
Eisers vorderen betaling van aanvullende proceskostenvergoeding in verband met procedures gevoerd in Spanje, waarbij zij stellen dat de Spaanse gerechten een rekenfout hebben gemaakt bij de vaststelling van de proceskosten. Gedaagden betwisten de vordering en voeren aan dat de proceskosten reeds definitief zijn vastgesteld en dat Nederlands recht van toepassing is.
De rechtbank stelt vast dat het toepasselijke recht voor de inhoudelijke beoordeling van de proceskosten Spaans recht is, omdat de vordering nauw verbonden is met Spanje en de procedures daar hebben plaatsgevonden. De rechtbank verwerpt het verweer van gedaagden dat de proceskostenveroordeling definitief is en niet opnieuw kan worden beoordeeld, omdat het hier gaat om een aparte procedure op grond van artikel 244 lid 2 LEC Pro.
De rechtbank overweegt dat het honorarium van de advocaat moet worden vastgesteld aan de hand van de Spaanse Baremo, maar dat partijen onvoldoende hebben toegelicht hoe artikel 49 van Pro de Baremo en de Disposiciones generales moeten worden toegepast. Daarom wordt een comparitie gelast om dit nader te onderzoeken.
Ten aanzien van de beslaglegging in Nederland geldt Nederlands procesrecht voor de vergoeding van beslagkosten. De rechtbank houdt de beslissing in reconventie aan en beveelt partijen om stukken tijdig in te dienen voor de comparitie. Het vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en op 1 februari 2012 uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en gelast een comparitie van partijen om nadere inlichtingen te verkrijgen en mogelijke overeenstemming te onderzoeken.