ECLI:NL:RBROT:2011:BU5001

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
366650 - HA ZA 10-3356
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bepaling hoogte smartengeld na incestueus seksueel misbruik door vader

Eiseres, dochter van gedaagde, vordert immateriële schadevergoeding wegens seksueel misbruik gepleegd door haar vader in de periode van maart tot december 2005. Gedaagde is reeds strafrechtelijk veroordeeld en heeft een deel van de schadevergoeding voldaan.

De rechtbank stelt vast dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld en dat eiseres immateriële schade heeft geleden. De hoogte van het smartengeld wordt vastgesteld op €10.000, waarvan €2.500 reeds is toegekend in het strafvonnis, zodat nog €7.500 wordt toegewezen. Daarnaast wordt wettelijke rente toegekend over de periode van 10 december 2005 tot 1 november 2010.

Het verweer van gedaagde dat het bedrag te hoog is vanwege zijn beperkte draagkracht wordt verworpen. De rechtbank benadrukt de ernstige schending van de vertrouwensrelatie en de blijvende psychische schade bij eiseres.

De proceskosten worden toegewezen aan eiseres, begroot op €855,93. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €7.500 smartengeld met wettelijke rente en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 366650 / HA ZA 10-3356
Vonnis van 2 november 2011
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats 1],
eiseres,
advocaat mr. P. van den Berg,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. A. Quispel.
Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 1 november 2010;
- de conclusie van antwoord;
- het tussenvonnis van 2 februari 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 24 augustus 2011.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Eiseres, geboren op [geboortedatum], is de dochter van gedaagde.
2.2. Gedaagde is bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam d.d. 31 mei 2006 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk wegens het meermalen plegen van ontucht en het met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd. De bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd in de periode van 1 maart 2005 tot en met 10 december 2005.
2.3. In voornoemd strafvonnis is de door eiseres ingestelde vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van EUR 3.032,61. Gedaagde heeft dit bedrag aan eiseres voldaan.
3. Het geschil
3.1. Eiseres vordert samengevat - veroordeling van gedaagde tot betaling van EUR 16.967,39, onder veroordeling van gedaagde in de proceskosten.
3.2. Eiseres heeft haar vordering toegelicht in die zin dat zij op grond van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek immateriële schadevergoeding vordert tot een bedrag van
EUR 20.000,-, waarop het reeds door gedaagde op basis van het strafvonnis voldane bedrag in mindering strekt.
3.3. Gedaagde heeft verweer gevoerd en heeft daartoe onder meer gesteld dat het gevorderde bedrag te hoog is, mede gelet op zijn beperkte draagkracht.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord aangegeven dat de enige vraag die thans nog aan de orde is, de hoogte van het aan eiseres toekomende smartengeld betreft. Als onweersproken staat dus vast dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld en dat eiseres als gevolg daarvan immateriële schade heeft geleden.
4.2. Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Bij de begroting dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder in het bijzonder de aard en ernst van het letsel, de restgevolgen en de impact van deze gevolgen op het leven van de betrokkene. Tevens dient bij de begroting te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarbij dient de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding in aanmerking te worden genomen.
4.3. De rechtbank gaat uit van de feiten zoals die blijken uit de bewezenverklaring in het strafvonnis. Het gaat daarbij om ernstig seksueel misbruik, waarbij sprake is geweest van seksueel binnendringen van het lichaam. Met betrekking tot de hoogte van het smartengeld overweegt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat seksueel misbruik van een kind op zowel korte als lange termijn psychische schade tot gevolg heeft. Gedaagde heeft op zichzelf ook niet betwist dat eiseres psychische schade heeft ondervonden en nog steeds ondervindt door het seksueel misbruik. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van het toe te kennen smartengeld daarnaast rekening met de jeugdige leeftijd van eiseres ten tijde van de gebeurtenissen (13 jaar), de duur van de periode waarin het misbruik heeft plaatsgevonden (ruim 9 maanden) en met het feit dat eiseres thuis is misbruikt door haar eigen vader, hetgeen een zeer ernstige schending oplevert van de vertrouwensrelatie tussen ouder en kind. Gedaagde heeft door zijn handelwijze op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van eiseres. Rekening houdend met al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat toekenning van een naar billijkheid vast te stellen smartengeld van EUR 10.000,- gerechtvaardigd is.
4.4. De rechtbank gaat voorbij aan het draagkrachtverweer zoals dat door gedaagde is gevoerd. Indien al juist zou zijn dat gedaagde niet in staat is het smartengeld te voldoen, dan is dit geen reden om het bedrag aan smartengeld op een lager bedrag vast te stellen.
4.5. Uit het strafvonnis blijkt dat zowel materiële als immateriële schadevergoeding is toegewezen in het kader van de vordering benadeelde partij. De vordering benadeelde partij ter zake van immateriële schadevergoeding is toegewezen tot een bedrag van EUR 2.500,- en is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat een bedrag van
EUR 2.500,- moet worden afgetrokken van het onder 4.3 genoemde bedrag van EUR 10.000,-, zodat in deze procedure nog een bedrag van EUR 7.500,- zal worden toegewezen. Ter comparitie heeft mr. Van den Berg desgevraagd verklaard dat het gevorderde bedrag inclusief rente is. De rechtbank begrijpt daaruit dat is bedoeld wettelijke rente te vorderen over het bedrag aan immateriële schadevergoeding tot aan de dag der dagvaarding. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank wettelijke rente toewijzen over het toe te wijzen bedrag vanaf 10 december 2005 tot 1 november 2010.
4.6. Compensatie van de proceskosten, waartoe gedaagde heeft verzocht, is in het onderhavige geval niet aan de orde. Gedaagde zal derhalve als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van eiseres op basis van het toegewezen bedrag op:
- dagvaarding EUR 87,93
- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)
Totaal EUR 855,93.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van EUR 7.500,00 (zevenduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 10 december 2005 tot 1 november 2010,
5.2. veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op EUR 855,93, welk bedrag moet worden voldaan aan eiseres,
5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2011.(
1963/548