ECLI:NL:RBROT:2011:BT6747
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Trotman
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van vrijheidsberoving bij terugbrengen minderjarige verdachten
Op 9 juli 2011 werden twee minderjarige jongens aangehouden wegens het ingooien van een ruit. De politie besloot hen na aanhouding en voorgeleiding niet in de cel te houden, maar mee te geven aan hun moeder/tante, de verdachte, met de afspraak dat zij hen de volgende ochtend om 9:00 uur terug zou brengen naar het politiebureau voor verder onderzoek en verhoor.
De verdachte bracht de jongens echter niet terug op het afgesproken tijdstip. De officier van justitie stelde dat sprake was van hulp bij zelfbevrijding in strijd met artikel 191 Sr Pro, omdat de politie de woning van de verdachte als alternatieve plaats van vrijheidsberoving beschouwde. De rechtbank oordeelde dat vanaf het moment dat de minderjarigen met de verdachte mee naar huis gingen, zij niet langer vrijheidsberovend waren, zodat het ten laste gelegde feit niet bewezen kon worden.
De rechtbank overwoog verder dat het beleid om jeugdige verdachten niet onnodig in de cel te houden, mede vanwege hun consultatierecht en de beperkte openingstijden van piketcentrales, begrijpelijk is. De verdachte werd daarom vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van hulp bij zelfbevrijding.
Uitkomst: Verdachte werd vrijgesproken omdat vanaf het moment dat de minderjarigen met haar mee naar huis gingen geen sprake meer was van vrijheidsberoving.