ECLI:NL:RBROT:2011:BT2467
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor schade aan paard door schrikreactie bij landing heteluchtballon
Op 18 juli 2007 landde de gedaagde met een heteluchtballon in een weiland waar het paard van eiser stond. Het paard schrok en sprong tegen het hek, wat leidde tot verwondingen. Gedaagde erkende aansprakelijkheid in een verklaring, maar betwistte later de omvang van de schade en het causaal verband met het overlijden van het paard.
Diverse dierenartsen stelden vast dat het paard een los botfragment in het kootgewricht had, dat operatief verwijderd moest worden. De operatie leidde tot een fatale complicatie tijdens de recovery. Gedaagde voerde aan dat het fragment het gevolg was van een bestaande gewrichtsaandoening (O.C./O.C.D.) en dat het overlijden niet aan de landing gerelateerd was.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van gedaagde geldig was en dat hij onrechtmatig had gehandeld door de veiligheidsnormen te schenden. Er was voldoende bewijs dat het fragment traumatisch was veroorzaakt door de schrikreactie van het paard door de ballonlanding. Het overlijden stond in voldoende causaal verband met de onrechtmatige daad.
De rechtbank stelde dat de schadevergoeding afhankelijk is van de waarde van het paard zonder de gevolgen van de landing en de daaropvolgende operatie. Omdat partijen het niet eens waren over de waarde, werd een deskundigenonderzoek voorgesteld. De zaak werd aangehouden voor nadere besluitvorming na deskundigenrapportage.
Uitkomst: De eigenaar van de heteluchtballon is aansprakelijk voor de schade aan het paard, maar de omvang van de schade wordt nader vastgesteld na deskundigenonderzoek.