ECLI:NL:RBROT:2011:BT2347
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verjaring vordering bank na faillissement klant afgewezen
De Rabobank had een kredietovereenkomst gesloten met de gedaagden en eiste betaling van een restantschuld na opzegging van de overeenkomst in 2002. De gedaagden werden failliet verklaard in 2003, waarna Rabobank haar vorderingen bij de curator indiende. De preferente vordering werd geverifieerd, de concurrente vordering niet. Na het faillissement stuurde Rabobank meerdere brieven aan de gedaagden om betaling te vorderen.
De rechtbank oordeelde dat de vordering van Rabobank per 24 oktober 2002 opeisbaar werd en dat de verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen. Hoewel de verjaring door enkele handelingen werd gestuit, was de stuiting door de verificatie van de concurrente vordering niet effectief omdat deze niet geverifieerd werd. Latere brieven van Rabobank om betaling te vorderen werden betwist en niet bewezen ontvangen, waardoor deze geen stuiting opleverden.
Het faillissement eindigde in juli 2007, waarna de verjaringstermijn verlengd werd tot zes maanden na faillissementseinde. Uiteindelijk was de vordering op 24 januari 2008 verjaard. De rechtbank wees de vordering van Rabobank af en veroordeelde Rabobank in de proceskosten. De vordering in reconventie van de gedaagden was ingetrokken, en zij werden veroordeeld in de proceskosten in reconventie.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Rabobank af wegens verjaring na faillissement van de klant.