ECLI:NL:RBROT:2011:BR6475
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- K.L. van Zetten
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bank voor bedrog door medewerker en derde bij leningsovereenkomst
In deze civiele procedure staat de aansprakelijkheid van de bank centraal wegens bedrog gepleegd door een medewerker in samenwerking met een derde, die valselijk brieven op bankpapier opstelde en gebruikte om eiseres te bewegen geld te lenen.
Eiseres heeft aanzienlijke bedragen geleend aan de derde, gebaseerd op de indruk dat zij spoedig over een grote erfenis zou beschikken. De bankmedewerker heeft toegegeven meerdere versies van deze brieven te hebben vervaardigd en afgestempeld, waarmee bedrog is gepleegd. De bank erkent mede aansprakelijkheid, maar betwist de omvang van de schade en wijst op eigen schuld van eiseres.
De rechtbank stelt vast dat het feitencomplex voldoet aan de criteria van bedrog volgens artikel 3:44 BW Pro en dat de bank op grond van risicoaansprakelijkheid aansprakelijk kan zijn voor de gedragingen van haar medewerker. De bewijslevering over de exacte bedragen en de opeisbaarheid van de vordering blijft echter open, en de procedure wordt aangehouden voor nader bewijs en getuigenverhoren.
De vrijwaringszaak tegen de derde wordt aangehouden totdat in de hoofdzaak een beslissing is genomen. De rechtbank wijst het verweer van de bank dat de lening niet opeisbaar zou zijn af, gelet op de redelijkheid en billijkheid en eerdere correspondentie.
De zaak benadrukt de complexiteit van aansprakelijkheid bij bedrog door medewerkers en de noodzaak van gedetailleerde bewijsvoering omtrent de omvang van de schade en de voorwaarden van de lening.
Uitkomst: Bewijslevering over omvang en opeisbaarheid van de vordering wordt opgelegd; verdere beslissing wordt aangehouden.