ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8299
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsincident over reikwijdte en separabiliteit van arbitragebeding in vennootschapsovereenkomst
In deze civiele procedure tussen partijen die samenwerkten in een vennootschap onder firma (vof) is een bevoegdheidsincident aan de orde gesteld. Eisers vorderen onder meer vernietiging en ontbinding van twee overeenkomsten, waarvan één vof-overeenkomst met een arbitragebeding. De rechtbank onderzoekt of zij bevoegd is om over de vorderingen te oordelen of dat arbitrage van toepassing is.
De vof-overeenkomst bevat een arbitragebeding dat de burgerlijke rechter slechts bevoegd laat zijn voor enkele uitzonderingen, waaronder ontbinding van de vof op grond van artikel 7A:1684 BW en procedures over conservatoire beslagen. Eisers stellen zich primair op vernietiging van de vof-overeenkomst en subsidiair op ontbinding. De rechtbank oordeelt dat de vordering tot vernietiging primair is en dat de rechtbank zich daarom onbevoegd moet verklaren voor de overige vorderingen die onder het arbitragebeding vallen.
De rechtbank overweegt dat het feit dat vorderingen uit beide overeenkomsten op hetzelfde feitencomplex zijn gebaseerd onvoldoende is om het arbitragebeding te passeren. Eisers hebben geen feiten gesteld die dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken. Daarom wordt de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring toegewezen, met uitzondering van de vorderingen die betrekking hebben op de eerste overeenkomst en de ontbinding op grond van artikel 7A:1684 BW.
De hoofdzaak wordt voortgezet voor de vorderingen die niet onder het arbitragebeding vallen. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten van het incident. De beslissing over de hoofdzaak wordt aangehouden voor beraad.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor vorderingen onder arbitragebeding en veroordeelt eisers in de proceskosten van het incident.