ECLI:NL:RBROT:2011:BQ7565
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Incidentele vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten toegewezen met bankgarantie
In deze civiele procedure vordert Dutch Biodiesel B.V. (DBD) dat Las-Montage- en Constructiebedrijf Zuid-West Nederland B.V. (LMC) zekerheid stelt voor de proceskosten die DBD mogelijk zal maken. Dit op grond van artikel 477a lid 2 derde volzin Rv, dat de rechter de bevoegdheid geeft om zekerheid te verlangen van de executant jegens een derde-beslagene.
LMC heeft de vordering gemotiveerd weersproken en aangevoerd dat haar eigen vermogen niet negatief is en dat DBD zelf schuld heeft aan de procedure. De rechtbank oordeelt dat deze bezwaren onvoldoende zijn om de vordering af te wijzen, aangezien het doel van de regeling is te voorkomen dat een derde onbetaalbare proceskosten draagt.
De rechtbank stelt het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld vast op €5.000, lager dan het door DBD gevorderde bedrag van €25.000, vanwege het verwachte procesverloop zonder complicaties. Tevens bepaalt de rechtbank dat de zekerheid niet door overmaking op een derdengeldenrekening kan worden gesteld, maar door middel van een bankgarantie volgens het model van het Rotterdams garantieformulier of de Nederlandse Vereniging van Banken.
LMC krijgt vier weken de tijd om de zekerheid te stellen, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak. De beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist. De zaak wordt op 4 mei 2011 hervat voor verdere procedure.
Uitkomst: LMC wordt bevolen binnen vier weken een bankgarantie te stellen van €5.000 voor proceskosten, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak.